zondag 14 mei 2023

De mooie voorbeelden van Hengelo, Venray en Mar en Fean om sociaal juridische hulp om de hoek te bieden

Ondertussen zijn er ongeveer 700 informatiepunten Digitale Overheid actief in Nederlandse bibliotheken. Een ontwikkeling die razendsnel is gegaan en waarbij lokale bibliotheken samen met hun lokale partners mooie netwerken hebben geactiveerd om inwoners verder te helpen met vragen op dit gebied. Is er dus veel werk verzet? Jazeker! Zijn we klaar? Nou, ik denk dat er nog meer kansen liggen om burgers te helpen... 

Eentje daarvan gaat over sociaal-juridische hulp voor inwoners. Wat als de vraag iets ingewikkelder is dan een snel antwoord?  Of wat als je echt geholpen moet worden met schulden? Of wat als je een verschil van mening met een overheidsinstelling of een bedrijf? Een drietal bibliotheken, Hengelo, Venray (BiblioNu) en Mar en Fean hebben hier, samen met lokale partners,  de afgelopen paar jaar mee geëxperimenteerd. Hun ervaringen zijn inmiddels beschikbaar gesteld in het rapport 'Sociaal Juridische Hulp om de hoek'.  En de resultaten zijn naar mijn gevoel zodanig dat het hele bibliotheekstelsel er iets mee kan. 

Samenwerking Sociaal Werk Nederland en Koninklijke Bibliotheek

Het project is een samenwerking tussen Sociaal Werk Nederland en de Koninklijke Bibliotheek en het vormt één van de de elf initiatieven die binnen de ‘Stelselherziening rechtsbijstand’ is opgezet door de minister voor Rechtsbescherming. Het doel van het project ‘Sociaal-juridische dienstverlening om de hoek’ was om, ik citeer, 'op een vernieuwende manier bij te dragen aan oplossingen van juridische problemen. Oplossingen die passend, duurzaam en van hoge kwaliteit zijn.' 

Het probleem is namelijk dat niet elke inwoner van Nederland dezelfde sociaal-juridische hulp krijgt. Het is namelijk een taak van de gemeente om hierin te voorzien en die gemeenten vullen dat verschillend in. Daar komt bij dat gemeenten onderling verschillen en dat de organisaties die dit ondersteun verschillen. Veel is opgehangen aan de wijkteams maar dit zijn generieke teams die specifieke financiële en juridische kennis ontberen. Daar heb je sociaal raadsmannen en -vrouwen voor nodig. En ook die invulling verschilt weer sterk per gemeente (lees: dat was op sommige plekken al wegbezuinigd). 

Opzet van de pilots

De drie deelnemende bibliotheken werkten voor deze pilot samen met kleinere of grotere welzijnsorganisaties. De één werkte samen met een kleine ondersteuner, de ander met een grotere welzijnsorganisatie en de derde met een vrijwilligersorganisatie. 

Veel van de vragen gingen over het regelen van zaken met de overheid. Want wie goed sociale zekerheid of zorg wil regelen, moet soms van behoorlijk goede huize komen om alle procedures te begrijpen. Met andere woorden: iets regelen met de overheid is nog lang niet altijd eenvoudig en soms zelf heel complex. Maar goed, dat wist u al. En als de problematiek dan ook nog stapelt is de overheid lang niet altijd onderdeel van de oplossing maar soms mede de oorzaak van het probleem. En probeer dan maar eens ergens makkelijk en onafhankelijke hulp te krijgen. 

En levert het wat op?

Er is een mooi filmpje verschenen van de drie pilots. Je ziet daarin hoe waardevol deze samenwerking is en hoe je echt twee stappen verder kunt gaan voor inwoners. Ook zie je hoe natuurlijk deze dienstverlening past bij  het IDO en het Ontwikkelplein. Beide ontwikkelingen waar veel, zo niet alle, bibliotheken mee bezig zijn. 

Van Hengelo is ook een mooie infographic beschikbaar. En als oosterse chauvinist zet ik die ook graag boven dit artikel.  Het geeft aan hoeveel mensen deze nieuwe dienst wisten te vinden, waar ze voor kwamen en wat er ongeveer gebeurde. De pilot heeft wel wat te lijden gehad onder corona want deze opzet zal al wat langer in de pijplijn maar vraagt toch echt om goed menselijk contact. 

Vooraf had de bibliotheek Hengelo samen met partners een goede opzet gemaakt welke impact men wilde bereiken met de pilot. Men deed dit via de voor sommige wel bekende Theory of Change (TOC). Dat leverde de volgende plaat op.

 Ik geef toe, je moet even op het plaatje klikken om uit te vergroten maar het zal toch een plaat zijn waar je zo het gesprek kunt voeren in je eigen gemeente of met je sociale partners.

Waarom niet in elke gemeente?
Tja, als je dit zo snel ziet, dan denk je toch: zullen we dit niet gewoon in elke gemeente doen? Nou, dat ligt iets ingewikkelder dan bijvoorbeeld bij de IDO's. Hoewel... Ook hier speelt dat enerzijds gemeenten aan zet zijn in het verlengde van wijkteams en anderzijds dat het ministerie verantwoordelijk is voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Dezelfde zwaluwstaart tussen lokale en landelijke overheid die we ook bij de digitale overheid kennen. En de vernieuwing van de rechtsbijstand is wel onderdeel van het coalitieakoord.

De pilots met de bibliotheken was één van de elf initiatieven van het programma Stelselherziening Rechtsbijstand van de Raad voor de Rechtsbijstand. En deze instelling regelt namens het ministerie van Justitie en Veiligheid de gesubsidieerde rechtsbijstand en gesubsidieerde mediation in Nederland. Die rechtsbijstand ligt al een tijdje onder vuur en minister Weerwind is met vernieuwing bezig.  Minister Weerwind informeerde de Kamer hier begin dit jaar nog over.  Het is een netelig dossier dat over meer gaat dan alleen goede dienstverlening maar ook over de positie en vergoeding van verschillende partijen. Dat maakt het wat lastig om bibliotheken te positioneren bij dit ministerie omdat andere partijen het gevoel kunnen krijgen dat bibliotheken iets willen 'afsnoepen'. Maar goed, ik denk dat er wel een opening kan liggen. 

Waar bibliotheken hun IDO's doorontwikkelen en verbreden naar ontwikkelpleinen is ook een aanbod rond sociaal-juridische dienstverlening helemaal niet zo gek. In het dasboard basisvaardigheden gaf 32% van de bibliotheken aan dat zij als juridische spreekuren faciliteren en 16% gaf aan actief te verwijzen naar juridische dienstverlening van partners. Dat lijkt wel een beetje op de situatie die we kenden voordat bibliotheken gingen samenwerken met de Belastingdienst en later opschaalden naar het IDO. Ik zou het best een mooie stap vinden. 

De bibliotheek is geen loket  maar een abonnement op de wereld

Dat ik enthousiast ben, behoeft denk ik geen betoog. En toch wil ik één hele kleine kanttekening maken. Bibliotheken zijn door de stappen die ze op het maatschappelijk-educatieve vlak gezet hebben als essentieel bestempeld. Een gebied waar de overheid ziet dat bibliotheken problemen oplossen die in het verlengde liggen van het directe belang van de overheid zelf. Maar de bibliotheek is breder dan dat en is niet de overheid. Aad Nuis noemde de bibliotheek 'de stationhal van de verbeelding'. En staatssecretaris Uslu noemde de bibliotheek 'een abonnement op de wereld'.  En ze voegt daar aan toe: 'Het is een plek waar mensen cultureel en maatschappelijk ontwaken en groeien. Waar als kind werelden voor je opengaan. Waar je als ouder met een gerust hart je kind heen stuurt. Een plek waar kennis, verhalen en andere perspectieven voor iedereen binnen handbereik zijn.'  Daar past dit idee zeker in maar vooral vanuit het perspectief van de burger die zichzelf verder helpt en niet alleen vanuit de overheid die een vinkje zet dat aan een voorwaarde is voldaan. Dat is voor bibliotheken dan ook het perspectief om vanuit te blijven handelen. Dat deden ze ook in deze drie pilots maar ik wil het hier toch graag noemen.

Webinar

Is je interesse gewekt? Dan kun je de hele pilot nog eens nalezen in dit evaluatierapport.  In het rapport zit bijvoorbeeld nog een mooie maatschappelijk kosten-baten-analyse  waar ik in dit artikel niet op in gegaan ben.  

Verder wordt er op op 22 mei om 15.00 uur  door Sociaal Werk Nederland en de Koninklijke Bibliotheek een webinar over 'Sociaal Juridische Hulp om de hoek' georagniseerd.  In de link vind je  meer informatie en dat is denk ik een aanrader.

Ik hoop dat we met bibliotheken samen met partners en met steun van landelijke overheid hier in de komende jaren nog een paar mooie stappen kunnen zetten. Complimenten voor onze collega's in Hengelo, Venray en Mar en Fean en natuurlijk alle partners die er aan meewerkten. 

Nog meer info op deze pagina van BNetwerk

zondag 7 mei 2023

Wat wij nog kunnen leren van een bibliotheekplan van begin jaren '60

Bibliotheek Den Ham, midden jaren '60

Op dit moment investeert het Rijk een kleine € 50 miljoen in een tijdelijke regeling voor versterking van bibliotheekvoorzieningen. Vanaf half mei kunnen bibliotheken hun eerste aanvragen indienen voor nieuwe vestigingen, het verbeteren van een beperkte voorziening of het verruimen van openingstijden. Er wordt dus op veel plekken nu door gemeenten en bibliotheken nagedacht over hoe deze gelden moeten worden ingezet. 

De man die 80 bibliotheken bouwde

Met dat in mijn achterhoofd vertel ik graag nog eens over de persoon die misschien wel de 'vastgoedmagnaat' van het bibliotheekwerk mag worden genoemd. Het gaat om Abraham van Uxem, die vanaf 1948 bezoldigd penningmeester-secretaris  was van de Centrale Plattelandsbibliotheek Overijssel, de oudste rechtsvoorganger van Rijnbrink.  Hij bouwde in de periode tussen 1948 en 1975 maar liefst 80! bibliotheekvestigingen. De topjaren lagen begin jaren '60 waarbij hij met zijn team zes tot acht bibliotheken per jaar bouwde.  

En het kenmerkende, al die bibliotheken lijken ook nog op elkaar. Het zijn de zogeheten Van Uxembibliotheken die oneerbiedig ook wel de 'schoenendozen' worden genoemd. Tot op de dag van vandaag zijn er een aantal in gebruik. Daarover later meer.

Van Uxem, geboren in 1911, was een Zeeuw die zich voor de Tweede Wereldoorlog had gewerkt als secretaris van de Zeeuwse Landbouwmaatschappij en als leider van de Zeeuwse Landbouwjongeren. Na de oorlog zet hij zich in voor de Volkshogeschool in Zeeland en wordt in 1946 de leider van de Volkshogeschool Diependal in het Twentse Markelo. Het is iemand die zich met hart en ziel inzet voor de ontwikkeling van het  platteland. In 1947 neemt hij samen met een collega het initiatief om een  enquête te houden naar de 'lectuurvoorziening' op het platteland in Overijssel. Zijn rapport gaf een onthutsend beeld te zien van versnippering en chaos. Van Uxem pleit dan ook voor een provinciale organisatie die zich inzet om in elk dorp een eigen bibliotheek te laten hebben. Hoe logisch dat nu ook lijkt, dat was het in die tijd niet. De steden hadden vaak al een eigen leeszaal maar in de dorpen kwam met niet verder dan kleine initiatieven die geen echte structuur kenden. 

Bibliotheek Blokzijl, begin jaren '60

Met die gedachte wordt in Overijssel de eerste rechtsvoorganger van een POI in 1948 gestart. Maar veel geld was er niet. De RijkssubsidieVerordering (RSV) was eigenlijk vooral ingericht op steden met meer dan 20.000 inwoners. Dan kwam er een behoorlijke rijksbijdrage vrij. Vanaf 10.000 inwoners was er ook al een bijdrage mogelijk maar die was slechts 60% van de bijdrage voor steden boven de 20.000 inwoners. Onder de 10.000 inwoners was er alleen een hele beperkte bijdrage die was gericht op kleine wisselcollecties die men correspondentschappen noemde. 

De eerste truc in 1953: één grote basisbibliotheek

Kortom, de middelen van Van Uxem in 1948 waren maar heel beperkt. Toch vond Van Uxem er iets op. De regels van de RSV boden namelijk wel wat ruimte voor interpretatie. Veel van de eisen die gesteld werden, hadden betrekking op gediplomeerde directie en personeel, een goede collectie en een acceptabel gebouw. Als je begon met het beperkte bedrag dat beschikbaar was voor plaatsen van 10.000 inwoners dan was het geld al op aan personeel en collectie en bleef er niks over voor een gebouw. Van Uxem voerde Claar Goudzwaard, haar evenknie als directeur van de Plattelandsbibliotheek, op als directeur van alle lokale bibliotheken. Het gediplomeerde personeel werd in dienst genomen bij de plattelandsbibliotheek en hun dienstverband werd verdeeld over meerdere bibliotheken. Dit drukte de personeelslasten enorm. De collectie was de collectie van de Centrale Plattelandsbibliotheek en werd deels op krediet gekocht bij de boekhandel. En zo bleef er geld over om te investeren in gebouwen.

In 1953 paste hij deze truc toe samen met de gemeente Avereest. Een lokale bibliotheek die aangestuurd werd door de centrale plattelandsbibliotheek. In 1954 deed hij dat met de gemeenten Vroomshoop, Nijverdal, Ommen en Wierden en in 1955 met de Rijssen, Den Ham, Bergentheim, Hellendoorn en Enter. 

Bibliotheek Nieuwleusen, midden jaren '60

Truc 2: voeg gemeenten samen voor de subsidieaanvraag

De tweede truc die hij toepaste was nog lucratiever. Onder de 10.000 inwoners waren er nog steeds geen goede financieringsmogelijkheden. Van Uxem vond een maas in de subsidieverordening.

Artikel 24 lid 3 van deze verordening luidde namelijk: 'Het bestuur van de Centrale Vereniging (de voorloper van de VOB, red.) kan, waar de plaatselijke toestand zulks wenselijk maakt, het inwonertal van de aangrenzende gemeenten geheel of gedeeltelijk toevoegen aan het inwonertal van de gemeente waar de Openbare Leeszaal of Bibliotheek of Openbare Uitleenbibliotheek gevestigd is.' 

En dus voegde Van Uxem Gramsbergen met 5.000 inwoners toe aan Hardenberg dat 20.000 inwoners had. En zo kreeg hij voor Gramsbergen het hoge subsidiebedrag dat voor gemeenten boven 20.000 inwoners bedoeld was. In 1958 had hij zo al 35 door het Rijk gesubsidieerde openbare bibliotheken of filialen opgezet.

Het ministerie keurde de aanvragen goed en nadien volgden alle provincies dit voorbeeld.

Bibliotheek Ommen, midden jaren '60

 Vanaf 1958: explosieve bouwwoede en een bibliotheekplan

Mooi al die organisaties maar ze waren allemaal belabberd gehuisvest. Een zaaltje hier, een ruimte daar. De groei van de middelen én de groei van het aantal lezers zorgde ervoor dat er nieuwe gebouwen moesten komen. En op dit punt was Van Uxem een visionair. In 1958 startte hij in Nijverdal met een bibliotheek, gevolgd door Hardenberg en Vroomshoop. Het bijzondere was: de panden leken veel op elkaar. Van Uxem voorzag namelijk dat hij de komende jaren veel bibliotheken zou gaan bouwen. En dus maakte hij een paar standaard bibliotheken, telkens met dezelfde uitgangspunten: een grote open ruimte, een hal met garderobe, een keukentje en een toilet. En als u zich afvraaagt, waar zijn de losse boekenkasten? Dat heeft een reden. Als iets aard- en nagelvast was aan het gebouw, was het onderdeel van de rijkssubsidie... En dus timmerde Van Uxem alle boekenkast vast aan de muur. Of aan de grond als dat nodig was. 

In de beginperiode kennen deze 'Van-Uxembibliotheken' nog een plat dak. Later worden dat toch lichte puntdaken. Esthetisch waren het geen hoogstandjes, de landschappelijke inpassing vaak belabberd maar uiterst functioneel en, niet onbelangrijk, betaalbaar.

En met de bouwplannen onder de arm gaat Van Uxem zo, gemeente na gemeente af. En hij overtuigd ze van de investering. De overlevering vertelt dat hij altijd twee plannen bij zich had: een kleine en een grote bibliotheek. Het gesprek gemeente eindigde hij dan altijd met 'Uw buurgemeente kiest overigens voor die grote versie'. 

Het bouwen neemt vanaf 1960 dan ook een hoge vlucht. Zes tot acht gebouwen per jaar worden opgeleverd. In 1963 werden in een tijd van zes maanden niet minder dan twaalf houten noodgebouwen geplaatst. Vaak was een ontheffing van het bestemmingsplan nodig. Daar werd niet op geweacht. De bouwvergunning kwam bij enkele gebouwen dan ook binnen op de dagen voor de officiële opening.

Dit bouwtempo werd gedicteerd door een heus 'bibliotheekplan Noord-West Overijssel' waarin aangegeven stond hoe men tot een dekkend netwerk van bibliotheken zou komen in de komende jaren. 

Vanaf 1961 werden de subsidieregels overigens aangepast. Dit mede door de 'sluipwegen' die Overijssel had gevonden en werd financiering van het bibliotheekwerk op het platteland beter voorzien.

Tot op de dag van vandaag zijn er nog Van Uxembibliotheken in gebruik. Onder andere in Wijhe en Haarle. En er zijn er vast nog meer. Hoewel er veel ook al zijn herbestemd of afgebroken.

Abraham van Uxem, in het midden, bij de opening van de vestiging in Vroomshoop in 1959, rechts van hem de voorzitter van de bibliotheek en burgemeester Bramer. Links van hem als eerste Claar Goudzwaard, directeur van de CPO en uiterst links, mejuffrouw Sevellen, de 1e hoofdassistent.

Bibliotheekplan?

Van Uxem ging in 1975 met pensioen. In de bijna dertig jaar dat hij zich inzette voor bibliotheken in Overijssel heeft hij, samen met Claar Goudzwaard die de organisatie deed, een fijnmazig bibliotheeknetwerk opgezet. Hij had een plan hoe dat netwerk eruit moest zien, overtuigde lokale, provinciale en zelfs landelijke overheden van de kwaliteiten van dat plan en voerde het uit. 

Ook nu is er een overheid die extra wil investeren in de nabijheid van bibliotheken. De plannen van Van Uxem zijn natuurlijk niet meer direct van toepassing op deze tijd maar het idee dat je samen een stelsel kunt neerzetten dat voor meerdere overheidslagen interessant kan zijn, is nog altijd actueel. Een bibliotheekplan voor een regio, provincie of zelfs het hele land, kon best eens een verbindend thema zijn voor meerdere overheidslagen. Denk er eens over na, zou ik zeggen. Want met een aankomende wetswijziging door de zorgplicht en een nieuw bibliotheekconvenant, liggen hier best kansen, denk ik.

De foto's komen uit het archief van de Overijsselse BibliotheekDienst zoals dit beschikbaar is bij de Collectie Overijssel. Veel van de informatie over Van Uxem komt uit het boekje 'Het vermogen tot...' onder redactie van Peter Witteveen.  

zondag 30 april 2023

Het maakt uit waar je bibliotheek staat... Over stapeling van verschraling en investeren in de regio


'Het maakt uit waar je bibliotheek staat', is een uitdrukking die ik graag leen van van Luc Alofs. Hij schreef vorig jaar als onderzoeker een rapport over de situatie van bibliotheken in Caribisch Nederland. En dat daar nog meer uitdagingen liggen dan in Nederland mag helder zijn. Maar het opvallende is: ook binnen Nederland zijn er stevige verschillen. En ook in ons land geldt: het maakt uit waar je bibliotheek staat, dichtbij of verder af, goed uitgerust of karig bedeeld.

De afgelopen week las ik het rapport 'Elke regio telt!'. Het rapport was me aangeraden door Klaas Gommers van de Vereniging van Openbare Bibliotheken met de opmerking: 'moet je eens lezen'. Het rapport is opgesteld door, houd u vast, de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB)  en de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS). Een breed opgesteld advies dus van belangrijke organen. Ze adviseren minister Bruins Slot van Binnenlandse Zaken hoe je ervoor kunt zorgen dat elke regio in Nederland dezelfde welvaart kan hebben. Want er blijken schokkende verschillen tussen regio's als het gaat om de brede welvaart.

Kijk maar eens naar bovenstaande kaart over levensverwachting. Wie in Noordoost-Groningen woont, sterft gemiddeld zeven jaar eerder dan een inwoner van Zeewolde of Amstelveen. En de levensverwachting zonder lichamelijke beperking ligt in Noordoost-Groningen ongeveer rond de AOW-leeftijd. Een onbezorgde oudedag zit er, gemiddeld, dus niet in, in die regio. Laat het even tot je doordringen.

Je merkt het pas, als het er niet is

Maar dat is nog maar het begin van het rapport. Kijk bijvoorbeeld eens naar de bereikbaarheid van ziekenhuizen door het land en stel je voor dat je een oudere bent die op openbaar vervoer is aangewezen. Wat denk je dan als je zo'n kaart ziet? 

En wie denkt, dat het alleen voor ouderen speelt, kijk even naar het kaartje over hoe lang je erover doet op het platteland om naar een HAVO of VWO te gaan om je kansen te vergroten.

Wie altijd alles dichtbij heeft gehad, is zich niet bewust van het feit dat in andere delen van Nederland die beschikbaarheid van voorzieningen helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Je merkt het pas als het er niet (meer) is. En voor grote delen van ons (platte)land geldt dat voorzieningen in de nabijheid geen gemeengoed is. 

Dat geldt zowel voor voorzieningen die nabij moeten zijn zoals een winkel, een basisschool of bibliotheek maar evenzeer voor voorzieningen die een redelijke bereikbaarheid moeten kennen zoals middelbare scholen en ziekenhuizen. 

En ik haal maar een paar plaatjes uit het rapport maar telkens levert dit hetzelfde beeld op. Uiteindelijk is er een kaart met indicatoren voor brede welvaart op waarbij vele indicatoren mee zijn genomen. De rode en roze gebieden zijn de gebieden die op vele fronten beneden gemiddeld scoren. 


Stapeling van verschraling

Het rapport noemt dit de stapeling van verschraling. Als de ene functie wegtrekt, kan ook de andere functie niet meer bestaan. Het verschil tussen de gebieden waar wel wat is en waar niet wat is, groeit daarmee. En daarmee de ongelijkheid binnen Nederland. Dat er gebieden zijn waar burgers zich afvragen of de overheid er wel voor hen is, is dan ook logisch. Dit vertaalt zich ook naar het wantrouwen in de overheid. De kaart van politiek vertrouwen kent grote gelijkenissen met de  kaart vn brede welvaart. Meer vertrouwen waar de welvaart hoger is, minder waar de welvaart lager is.

Maar daarmee vertel ik u niets nieuws. Talloze duiders hebben het al uitgelegd. Maar de kaartjes erbij geven wel een bodem bij dat ongemakkelijke gevoel. En daarom snappen we ook allemaal waarom de uitkomst van de verkiezingen voor de Provinciale Staten grote winst opleverden voor BBB. Heeft een kind in Vlagtwedde dus dezelfde kansen als een kind in Amstelveen? Het antwoord is al bij geboorte 'nee'. Kan dat kind daar iets aan doen? Het antwoord is opnieuw 'nee'. Maar het is nog erger. Lees verder en huiver. 

De uitholling van de perifere regio

Het rapport is namelijk snoeihard over het gevoerde overheidsbeleid van de afgelopen jaren. Het rapport stelt :
'Wij menen dat de verschillen tussen regio’s niet alleen problematisch zijn voor de regio’s die op achterstand staan, maar ook voor Nederland als geheel. Immers, wanneer brede welvaart structureel ongelijk is verdeeld tussen regio’s, kan dit consequenties hebben voor het vertrouwen van inwoners
van minder bedeelde regio’s in de overheid en overheidsinstituties (OECD, 2018). Nederland als nationale eenheid trekt langzaam maar zeker scheef.

Wij hebben ... veel mensen gesproken die zich nauwelijks meer herkennen in de rijksoverheid en die het gevoel hebben dat ‘hun’ overheid geen recht doet aan wat zij belangrijk vinden en in hun regio nodig hebben. Zij voelen zich niet gezien, laat staan begrepen. Dat zagen we eerder al in rapporten over ‘afgehaakt Nederland’ (De Voogd & Cuperus, 2022) en ‘regionaal maatschappelijk onbehagen’ (Van den Berg & Kok, 2021). In deze analyse voegen wij daaraan toe dat men daar ook feitelijk alle reden toe heeft. De ‘perifere’ regio is een gebied dat kampt met achterstanden op tal van terreinen en wordt onmiskenbaar door het sectoraal rijksbeleid op verschillende terreinen nog verder achtergesteld. Deze gestapelde achterstanden zijn daarmee een gegeven dat mede het gevolg is van overheidsbeleid dat sterke centra sterker maakt en daarmee regio’s verder verzwakt.'

Met andere woorden, het regeringsbeleid van de afgelopen jaren heeft de sterke regio's nog sterker gemaakt en de zwakke nog zwakker. De kansen van het kind in Vlagtwedde zijn nog kleiner geworden. Het kind kon niks doen aan de slecht kansen maar de overheid kon dat wel!

Spiraal van verschraling

Het rapport illustreert dit zichzelf versterkend effect met de spiraal van verschraling. De ene ontwikkeling zet het domino-effect naar een ander gebied in werking. 

Het is een spiraal die maar heel moeilijk te doorbreken is. Een spiraal die vaak over generaties heen gaat. Intergenerationele problemen die we bijvoorbeeld terug zien in laaggeletterdheid of andere basisvaardigheden.

Doorbreek de spiraal

Het rapport roept dan ook op om deze spiraal te doorbreken. De adviesorganisaties verwijten de overheid de afgelopen jaren teveel oog te hebben gehad voor het economische belang en te weinig voor het sociale belang. Het rapport roept op om langjarig te investeren in de regio's en maatwerk per regio mogelijk te maken. Er moet extra geïnvesteerd worden in de gebieden waar de verschraling stapelt. Alleen zo kan de negatieve spiraal doorbroken worden. 

Wat mij betreft slaan deze adviesorganisaties de spijker op de kop. Als de overheid vertrouwen wil terugwinnen, gaat het om investeringen die voelbaar deze spiraal doorbreken. 

Zorgplicht voor bibliotheken en onderhandelingen voor Provinciale Staten

En dan treffen we het toch maar. Op dit moment zijn er namelijk  twee ontwikkelingen waarbij ook voor bibliotheken die spiraal doorbroken kan worden. Zo wordt er op dit moment gestart met een zorgplicht voor bibliotheken en die gaat ook nadrukkelijk over nabijheid van deze voorziening. 


En op de tweede plaats vinden nu overal onderhandelingen plaats voor provinciale coalities. Nu zijn de provincies niet de primair verantwoordelijk voor veel voorzieningen maar ze hebben wel een belangrijk rol rond leefbaarheid. En het zijn deze coalities die in ieder geval ook de provinciale zorgplicht zullen invullen. Maar die zorgplicht kan niet los gezien worden van de lokale zorgplicht van gemeenten. Het is een stelsel dat samen moet zorgen dat alle inwoners de goede kansen op ontwikkeling krijgen. 

Plan voor openbare bibliotheekvoorzieningen

Ik pak dan toch nog maar een artikel uit de oude doos. Uit de Gelderlander van november 1978. Er lag toen een plan voor openbare bibliotheekvoorzieningen in Gelderland waarbij in principe een vaste bibliotheek moest komen in elke kern met 2.000 inwoners. Een bibliobus was al mogelijk vanaf 100 inwoners. Ik zal u vast vertellen: dat zijn aantallen die we nu zeker niet halen, tenzij je alle Bibliotheken op school meetelt. Sterker, het kaartje van bereikbaarheid van bibliotheekwerk vertoont grote gelijkenis met die van (gemis aan) brede welvaart. Toch is het interessant om te zien dat in 1978 de provincie gemeenten uitdaagde om mee te doen. In 2023 heeft het Rijk inmiddels een mooie stap gezet en ik hoop dat dat inderdaad de stap is die ook provincies en gemeenten over de streep trekt. Overigens heeft de provincie Gelderland op dit moment eerst nog een bezuiniging op bibliotheekwerk op te lossen. 

Investeer in de regio, investeer in bibliotheken

De bibliotheek is natuurlijk één van de voorzieningen die in dit adviesrapport wordt genoemd. Investeren in de regio betekent ook investeren in bibliotheekwerk. Of je nu van de BBB bent, van het CDA,  D66, SP of SGP, bijna elke partij wil dat burgers goede voorzieningen hebben in de nabijheid. Dit rapport van al die edele adviesorganen onderstreept dat die investeringen nodig zijn en dat deze investeringen een sleutel zijn in herstel van het vertrouwen in de overheid. 

En beste bibliotheken, kom met een plan voor openbare bibliotheekvoorzieningen, liefst in combinatie met andere voorzieningen. En beste politiek, denk aan bibliotheken als je een middel zoekt om invulling te geven aan investeren in regio's nu je bezig bent met de provinciale formatie. Eigenlijk is deze blog dus een open brief aan alle coalitieonderhandelingen. Kent u mensen die daarin actief zijn, schuif ze dit artikel dan eens onder de neus. 

Want: Het maakt uit waar je bibliotheek staat. 

Overigens: op de ledendag van de VOB op 1 juni zal doordoor Martijn van der Steen (RVS) en Bart Swanenvleugel (Rli) worden gesproken over het rapport 'Elke regio telt'. Aanmelden kan hier. 

zaterdag 22 april 2023

De dood in de ogen kijken


Het is een doordeweekse avond, ergens rond half elf in de avond. Ik zit in de auto en rij terug naar huis na een een lezing te hebben gegeven in de Weerribben. De avond was prima met veel geïnteresseerden. Het was een lange dag. Een dag die weer valt in drukke weken met ook nog wat zorg om kwetsbaren om mij heen. Ik verheug me een beetje op de terugreis. Bijna anderhalf uur in stilte met niemand om me heen. De auto snort als mijn eigen cocon over de provinciale weg. Mijn koplampen priemen door het duister.

En terwijl ik denk zo in stilte naar huis te rijden, gebeurt plotseling in heel weinig tijd. Een flits van links, een doffe harde klap voor op de auto en een flits naar rechts. Dat alles duurt nog geen twee seconden. Pas in de tel nadat het al gebeurd is, realiseer ik me dat ik een ree heb aangereden. Ondertussen ben ik al honderd meter verder. Ik rij nog iets verder en keer de auto op een veilige plek en rij terug. Ik stop bij de plek waar de ree ligt. Roerloos, geen ademhaling en nergens een hartslag. Ik kijk letterlijk de dood in de ogen. Ik heb het dier gedood en het leven ontnomen. Het is een schrale troost dat het dier niet geleden heeft. 

Ik bekijk mijn auto in het donker. Schade aan de bumper en een nummerplaat die weg is. Gezien het gewicht van de ree had dit heel anders kunnen aflopen. Ook ik had net als de ree in de berm kunnen liggen. Ik bel de politie en meld wat er gebeurd is. Zij zullen later poolshoogte kunnen nemen en ik mag mijn weg vervolgen. 

Het wordt zo een heel andere terugreis dan verwacht. Hoewel het me door de adrenaline van het moment ook rustig lukt om door te rijden. Wat gebeurd is, is nog niet verwerkt in mijn hoofd. Tegen middernacht ben ik thuis. De klap komt dan pas. Ik slaap onrustig en zie de ree nog een paar keer voorbij komen. 

De volgende ochtend bel ik mijn garage. Die vertelt me hoe ik aan nieuwe nummerplaten moet komen en zegt dat ik de auto daarna maar even moet brengen. Dan kijken ze er wel naar. Ook deze ochtend gaat anders lopen dan gedacht. Ik gooi het werk dat ik zou doen aan de kant en ga dus eerst maar even regelen. Een goed uur later heb ik nieuwe nummerplaten en staat de auto bij de garage. Ik heb nu een nummerplaat met een eentje erop. Een nummer alsof het een jachttrofee is: ik heb er één geraakt. Bij elk dier dat je doodt en waarbij je een nummerplaat kwijt raakt, krijg je een hoger nummer. Ik kijk plotseling anders naar de nummerborden met die extra cijfers. Wrange humor.

Eenmaal thuis denk ik : aan de slag dus maar? Nee, mijn lichaam zegt iets anders. En mijn lichaam weet het beter dan ikzelf wat ik moet doen.  Ik heb wat anders te doen. Ik pak mijn hardloopschoenen. Ik moet gaan rennen. Rennen om los te laten wat me is overkomen. Rennen als een vorm van huilen. Rennen tot je het snot voor de ogen ziet.  Rennen... als een ree.

Heel even hoop ik dat ik tijdens het rennen door het bos nog een ree zal zien.  Maar de reeën verschuilen zich dit keer allemaal. 

Geef ze eens ongelijk.

zondag 16 april 2023

We lezen meer, we denken dat we minder lezen en aan het eind hebben we toch een leescrisis

Deze week las ik twee bijzondere onderzoeksrapporten. Twee onderzoeken uit dezelfde koker die elkaar ogenschijnlijk tegen lijken te spreken. Het gaat om het onderzoek "Hoe leesgedrag is veranderd door corona" uit 2022 en "Hoe kun je lezen het beste stimuleren?" uit 2023. Beide zijn onderzoeken die door KVB/Boekwerk zijn gepubliceerd. Dat er een schijnbare tegenstelling in de twee rapporten lijkt te zitten, zegt overigens niks over dit puike instituut dat in de regel te weinig credits krijgt voor hun goede werk. 

We lezen meer!

Eerst maar eens het goede nieuws. Want dat is dat we meer zijn gaan lezen in Nederland! Het aantal niet-lezers daalde tussen 2017 en 2022 van 34% naar 25%. Dat is een kentering ten opzichte van alle andere historische onderzoeken die over lezen zijn gedaan. Wie dat nog eens na wil lezen moet terecht bij het SCP-rapport Lees:tijd

Het onderzoek dat hier gedaan is, is een terugkerend onderzoek met een vast panel  met 7.500 panelleden uit 5.000 huishoudens. Het panel bevat mensen uit alle lagen van de Nederlandse bevolking en vormt een goede vertegenwoordiging van de Nederlandse bevolking. 'Probability-based' heet dat in onderzoekstermen. Dit is dus geen eendagsonderzoek om een quote in een nieuwsitem te zijn maar onderzoek dat in de loop der jaren al vaak herhaald is. De uitkomsten zijn dus zeer betrouwbaar.

In het onderzoek wordt dus gewerkt met vier groepen lezers. 

  1. Niet-lezers: Nederlanders die in de afgelopen 12 maanden in hun vrije tijd niet regelmatig hebben gelezen
  2. Soms, kort: Nederlanders die regelmatig, maar minder dan 4 dagen in de week lezen en op deze dagen daar 90 minuten of minder aan besteden.
  3. Soms, lang: Nederlanders die regelmatig, maar minder dan 4 dagen in de week lezen en op deze dagen daar meer dan 90 minuten aan besteden.
  4. Vaak, kort: Nederlanders die regelmatig, en 4-7 dagen in de week lezen en op deze dagen daar 90 minuten of minder aan besteden.
  5. Vaak, lang: Nederlanders die regelmatig, en 4-7 dagen in de week lezen en op deze dagen daar meer dan 90 minuten aan besteden.

Als je inzoomt op de resultaten zie je iets wat nog opmerkelijker is. Het zijn namelijk vooral jonge mensen (tot 44 jaar :-) die meer zijn gaan lezen. 

De meest spectaculaire daling bij niet-lezers zie je in de leeftijdsgroep 25-34 jaar. Het aandeel niet-lezers daalde daar van 47% voor corona naar 28% in de coronaperiode. Ondertussen loopt dit wel weer op naar 30% in 2022 maar het is nog altijd fors onder het niveau van voor corona. 

Blijft het zo ná corona?

Het onderzoek is overigens ver in 2022 afgerond dus nadat coronamaatregelen waren opgeheven. Ook toen zagen de onderzoekers nog steeds een toename van het leesgedrag ten opzicht van 2017. Het is interessant om te volgen of die verandering in leesgedrag dus beklijft of dat het toch een crisiseffect is. Vooralsnog wijst het op dat eerste maar het is nog te vroeg om te juichen, denk ik.

KVB meldde ook nog dat Nederlanders in dit onderzoek aangaven dat men meer boeken is gaan lezen. 
Gemiddeld lazen Nederlanders vóór corona tussen de 1,2 en 1,3 boeken uit in een maand. Sinds corona is dit gemiddelde gestegen naar 1,5 tot 1,6.

We lezen meer maar we denken dat we minder lezen...

Dan het tweede rapport van KVB/Boekwerk dat onlangs verscheen over 'Hoe je lezen het beste kunt stimuleren'. Daarin is gevraagd of mensen denken dat ze de afgelopen drie jaar meer of minder zijn gaan lezen. Daar komt het volgende uit. 

Bijna 40% van de ondervraagden denkt dat men minder leest in vergelijking met drie jaar geleden. Helaas krijg je in de sheets van dit onderzoek geen zicht op de achterliggende basiscijfers. Zo wordt gemeld dat dit voor jongeren nog hoger ligt maar deze cijfers zitten niet in de sheets. De omvang van het onderzoek is met 1.222 respondenten lager dat het bovenstaande onderzoek. Ik ben dus geneigd meer waarde te hechten aan het bovenstaande onderzoek dan aan deze stelling. Het zou dus kunnen zijn dat we denken dat we minder lezen maar dat we dat in de praktijk toch meer zijn gaan doen. 

Verder blijkt uit dit onderzoek dat iedereen lezen wel belangrijk vindt en dat het krijgen of zelf kopen van een boek, een goede stimulans is om iemand aan het lezen te krijgen. Ben je een leesbevorderaar, geef dan voor boeken cadeau...

Bibliotheek voor leden de belangrijkst inspiratiebron

Ook heeft men onderzocht waar Nederlanders hun inspiratie om boeken te lezen vandaan halen. Dat levert bijgaande staatje op. 

De belangrijkste inspiratiebron zijn dus je familie en vrienden, mensen die over boeken praten. De bibliotheek staat pas op de zesde plaats als inspiratiebron. Slechts 18% van de respondenten noemt de bibliotheek. Daar staat tegenover dat dit voor bibliotheekleden de belangrijkste inspiratiebron is met 46%. Die 31% die ook in de resultaten staat bij niet-leden moet denk ik 13%. Dat lijkt me een typefoutje in het onderzoek. 

Opvallend is ook de invloed van sociale media met 20%. Ook daar maakt het onderzoek nog een uitsplitsing welke invloed de verschillende platforms hebben op leesgedrag en welke leeftijdsgroep het meeste werkt met welk platform.

Facebook is voor de mensen die zich via sociale media laten inspireren voor 54% nog het grootste platform. Wie dacht dat TikTok of Instagram dat al zou zijn, komt dus bedrogen uit. Maar er zit inderdaad wel een generatiekloof. Jongeren zitten meer op Instagram en TikTok en ouderen zitten vooral op Facebook. 

Is er dus geen leescrisis?

In deze twee onderzoeken lijkt het dus alsof we meer zijn gaan lezen maar dat we denken dat het niet zo is. Is de leescrisis dus opgelost? Nee, geenzins. En daarover verscheen weer een mooi derde overzicht. Dit keer van de Boekmanstichting onder de titel: 'Ontlezing Samenwerken om  het tij te keren' 


Auteur Jack van der Leden ontleed vakkundig in deze Boekmanspecial hoe de leescrisis ontstond en welke maatregelen er tot nog toe genomen zijn. Wie de afgelopen jaren alle onderzoeken gevolgd heeft, leest niets nieuws. En toch krijg je een bijzonder ongemakkelijk gevoel als je alle onderzoeken en politieke stappen die wel of niet gezet zijn, zo op een rijtje ziet. Want uit alles blijkt dat de leescrisis een uitslaande brand is waar veel te weinig brandweerlieden op afgestuurd worden. En dat die brandweerlieden dan ook al jaren roepen.

Maakt dat moedeloos? Ja, een beetje wel. Maar ik zie ook lichtpuntjes hoor. Ik zie hoeveel mensen zich inzetten en hier net als ik, soms tegen de stoom in toch vooruitgang proberen te boeken. Ik zie hoe ieder op zijn plek het zijne of hare probeert te doen. Het is een stimulans om me in te blijven zetten, te blijven zoeken naar nieuwe wegen en vooral om te blijven pleiten voor voldoende brandweerlieden en brandweerauto's voor de uitslaande brand die leescrisis heet. 

maandag 10 april 2023

De witte vlekken in het bibliotheekwerk in 1968

 

Deze kaart werd in 1968 gepubliceerd en geeft aan waar er op dat moment al openbare bibliotheken zijn. Ik verklap vast: wit is waar nog geen openbare bibliotheek actief is. Het aantal 'witte vlekken' - een term die tegenwoordig gebruikt wordt om gemeenten aan te duiden zonder volwaardige bibliotheek - was toen nog enorm. 

Eigenlijk moet u even op de afbeelding klikken en dan kunt u vrij ver inzoomen. Het origineel is een A2-kaart die zat bij het boekje '60 jaar centrale vereniging voor openbare bibliotheken'. En omdat het een A2-formaat is, kan ik het niet goed scannen dus u moet het met deze foto doen. 

De Centrale Vereniging was de voorloper van de huidige Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en was opgericht in 1908. In 1958 had men het vijftig jarig jubileum al gevierd en nu volgde dan ook 60-jarig jubileum. Het boekje kent twee delen: een bundel van een studiedag met lezingen en een tienjaarsverslag 1958-1968 waarin verteld wordt wat er in de afgelopen tien jaar zoal gebeurd is. Voor wie een beetje van geschiedenis houdt, is het vermakelijke kost. 

Behalve allerlei statistieken en dus bovengenoemde kaart kent het boekje ook een flink aantal foto's van bibliotheekvoorzieningen die in deze tijd tot stand kwamen. Voorzieningen waar men toen uitermate trots op was en die wij toch al als zeer gedateerd zullen beschouwen. Ook de onderschriften bij de foto's zijn hilarisch.


Legenda

Maar ik ga weer even terug naar dat landkaartje. En ik zal de legenda van de kaart hierboven wat uitvergroten. Die ziet er als volgt uit.


Zoals je ziet, gaat de kaart vooral in op de ontwikkeling zoals deze tussen 1959 en 1967 heeft plaats gevonden en wat er in 1968 nog zal komen. Grote delen van Friesland, Noord-Overijssel, Twente, Noord-Holland, Noordoost Brabant en Noord-Limburg ontwikkelen zich in dit decennium en worden voorzien van een bibliotheekvoorziening. Het is ook bijzonder om de zien dat West-Overijssel eigenlijk al voor 1959, op de gemeente Olst na, al overal een bibliotheekvoorziening had. En dat heeft weer te maken met die vroege ontwikkeling van de provinciale organisatie in 1948 waar ik vorige week over sprak. Overijssel had dus een kleine voorsprong die je precies in deze kaart ziet. Ook Friesland kent zo'n ontwikkeling en laat zien dat eind jaren '60 in bijna elke gemeente al een bibliotheekvoorziening is. 

Nog 250 witte vlekken op de kaart
In 1968 kent Nederland 940 gemeenten (nu zijn dat er nog 342). Als ik snel op de kaart tel hebben er in 1968 dan zo'n 250 daarvan nog geen bibliotheekvoorziening. Er is dan dus nog een lange weg te gaan maar het tempo waarmee in die decennia het aantal witte vlekken verdwijnt is spectaculair.  

Verschillen per provincie


In het staatje met centrales, filialen en provinciale bibliotheekcentrales zie je die verschillen ook terug. Noord- en Zuid-Holland hebben met (49+73 resp. 49+74) 122 en 123 bibliotheken en hebben daarmee het grootste bibliotheeknetwerk maar Overijssel volgt met 101 vestigingen en dat terwijl Noord-Holland twee keer zoveel inwoners had en Zuid-Holland zelfs drie keer zoveel inwoners. Datzelfde geldt ook weer voor Friesland. Ook dat kende in 19688 al een heel fijnmazig bibliotheekwerk. Een combinatie van 37 vestigingen en maar liefst elf! bibliobussen. Eén van die bussen staat ook in het boekje. 


Hekkensluiters zijn in die tijd Drenthe en Zeeland. In Drenthe heeft men dan 'nog maar' dertien vestigingen en een bibliobus die zoals de kaart aangeeft, vooral voor de jeugd wordt ingezet. In Zeeland zijn dan nog 'maar' negen bibliotheekvestigingen. 

Meerdere provinciale bibliotheekcentrales per provincie
Die negen vestigingen van Zeeland werden dan wel weer ondersteund door twee bibliotheekcentrales, zeg maar de POI's avant la lettre. En bijna elke provincie kende ook meerdere provinciale centrales. De Rijkssubsidieregeling liet het toe dat er zowel subsidie was voor een algemene centrale als voor een katholieke. Utrecht en Noord-Brabant kenden zelfs drie centrales. Als iemand mij kan vertellen hoe dat kon, ben ik daar nog wel benieuwd naar en anders ga ik het zelfs nog eens opzoeken. Duidelijk is in ieder geval dat provinciaal bibliotheekwerk volwassen was geworden. Daarvan getuigt ook onderstaande foto met onderschrift.


Meer, meer, meer


Het boekje zelf kent vele staatjes met statistieken. Een paar pik ik eruit. Een daarvan is het bovenstaande tabelletje. In dit staatje zie je wat er verder gebeurde met de groei. Ook het boekenbezit, het aantal uitleningen en het aantal lezers verdubbelde in tien jaar. van 430.000 leden naar 839.000 leden en van 14 miljoen naar 31 miljoen uitleningen. En allemaal zonder dat er automatisering aan te pas kwam. 

Bijna 700 gemeenten doen nog niet mee
In het staatje staat dat men groeide van 111 naar 261 gemeenten. Wie dat vergelijkt met bovenstaande kaart ziet dat hier een andere definitie van de betrokkenheid van de gemeente moet worden bedoeld dan op de kaart. Dat zou verklaart kunnen worden dat de provincie in die periode nog verantwoordelijkheid nam en dat zodoende gemeenten nog geen financiële bijdrage leverden. De provincie voelde zich dus echt verantwoordelijk voor de exploitatie van de bibliotheek op het platteland.  

Vanuit dat perspectief waren er dus nog bijna 700 gemeenten van de 940 die nog niet meededen aan het lokale bibliotheekwerk. Ergo: een minderheid van de gemeenten droeg dus nog maar bij. 

Vijftig gemeenten met twee bibliotheekstichtingen
Ook is het opvallend dat er meer centrale vestigingen zijn dan gemeenten die meedoen. Ook dat wordt weer verklaart door katholieke en algemene bibliotheken. In een kleine 50 gemeenten was zowel een katholieke als een algemene openbare bibliotheek actief. Deze bibliotheken fuseerden in de jaren '70 eigenlijk allemaal met elkaar, soms met een tussenstap als 'gemeenschappelijke' bibliotheek.

Rijk ging steeds meer bijdragen
In 1968 verscheen bijgaande staatje over de financiering van het bibliotheekwerk. Ook toen rekende men al in centen per inwoner.


De bijdrage van rijk, provincie en gemeenten nemen alle drie toe. Maar de mix van de onderlinge verhouding veranderd. 

Ook dat wordt in een staatje weergegeven waarbij provincie en gemeente beide als lokale subsidie worden gezien. 


Waar in 1952 nog 19% van het rijk kwam, was dit in 1966 gegroeid naar 33%.

Geloven in groei
Op dit moment juicht het bibliotheekwerk over de moedige stappen die het Rijk zet door extra geld beschikbaar te stellen voor lokaal bibliotheekwerk. Toch is die rol dus veel ouder dan we denken. Als sinds begin 20e eeuw heeft het Rijk geïnvesteerd in het lokaal bibliotheekwerk. Eerst via een rijksregeling die in 1921 uitmondde in de Rijkssubsidieverordening 1921. In 1975 kwam een bibliotheekwet met een gemengde financiële verantwoordelijkheid die 1987 weer werd afgeschaft. Vanaf dat moment waren de gemeenten primair aan zet. 

Met de invoering van de Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen in 2015 ging de rijksoverheid niet direct opnieuw investeren maar ontstond wel weer een nieuwe betrokkenheid. De digitale bibliotheek - die onlosmakelijk verbonden is met de fysieke bibliotheek - werd namelijk een landelijke taak. En er kwam regie op het stelsel als geheel waarbij de verschillende overheidslagen elkaar scherp houden op ieders rol.

Bijzonder vind ik om te zien hoe men in 1968 geloofde in groei. Men was nog lang niet klaar met bibliotheekwerk. Er moesten nog vele voorzieningen bij komen. Men geloofde in infrastructuur. Men geloofde in personele groei. Terug naar deze tijd. Ook nu is er een regeling om opnieuw te bouwen aan dat netwerk. Er wordt zelfs gesproken over een zorgplicht. Tegelijkertijd zie ik ook dat we als netwerk het spannend vinden om in te zetten op uitbreiding van infrastructuur. We zijn bang dat het ten koste gaat van programmatische en personele inzet.  Toch is het misschien wel eens aardig om de aarzeling eens los te laten en eens te dromen over welk plan we zouden maken als we geloofden dat het bibliotheekwerk nog veel verder zou mogen groeien. Hoe zou ons plan eruit zien als we wisten dat onze budgetten over tien jaar verdubbeld zouden zijn? Wat zouden we dan kunnen? Wat zou dat betekenen voor de maatschappelijke opgaven waar we ons voor inzetten?  

In de jaren '50 en '60 was dat geen droom maar werkelijkheid. En ik vraag me waarom we dat niet weer zouden doen. De maatschappelijke opgaven zijn er groot genoeg voor: geletterdheid, democratische waarden, digitalisering, een leven lang ontwikkelen, eenzaamheid en sociale cohesie.... En vul maar aan. 

Van mij mag deze sector nu zelfverzekerd met zo'n plan komen. De overheid zet in op stevige verankering en verbetering! Als er ooit een moment was waarop de sector zou mogen opstaan en met een uitdagend plan mag komen waarin iedereen investeert, dan is het nu wel. Ik zou zeggen, aan de slag met elkaar en boter bij de vis!

zaterdag 1 april 2023

1 april 2023: 75 jaar POI's in Nederland

 

Ik vind het vandaag een feestelijke dag. Het is misschien zelfs wel een dansje waard tussen de kaartenbakken. Precies vandaag bestaat het werk van Provinciale OndersteuningsInstellingen (POI's) voor het bibliotheekwerk 75 jaar.  Op 1 april 1948 begon namelijk Claar Goudzwaard als allereerste medewerker bij de Centrale voor PlatellandlandsLectuurvoorziening Overijssel. Het zou later uitgroeien tot de Overijsselse Bibliotheek Dienst en weer later, na de fusie met Biblioservice Gelderland tot Rijnbrink. 

Pioniers van het platteland
Claar Goudzwaard begon als directrice - directeur zou men in die tijd zeker niet gezegd hebben - met één medewerker: een boekenmeisje. Ook dat zouden we  nu niet meer zo noemen. Ze werkte bijna dertig jaar samen met Abraham van Uxem, de bezoldigd secretaris-penningmeester van de stichting.  Het waren de stedelijke bibliotheken die samen met de Boeren- en Tuindersorganisaties (ABTB, CBTB, OLM) het initiatief namen. Nederland had de Tweede Wereldoorlog achter zich en er heerste een sfeer van wederopbouw en optimisme. Het platteland dat nog verstoken was van bibliotheken en die nog een flinke achterstand hadden op het stedelijk gebied hadden recht op dezelfde ontwikkeling. De parallellen met de huidige tijd zijn snel gemaakt. De POI had een uitvinding van de BBB kunnen zijn.

Op de tweede werkdag stelt Claar Goudzwaard een soort manifest op dat aan tal van Overijsselse organisaties en gemeenten wordt toegezonden. Het document is bewaard gebleven. 


In de archieven zijn zelfs de concepten met de aantekeningen bewaard gebleven. Daarbij kun je vooral zien dat er nog gesleuteld is aan teksten om de gemeenschappen met een streng-christelijke signatuur niet voor het hoofd te stoten. Woorden lagen gevoelig. 

Katholieken doen niet mee
Overigens waren het niet de streng-christelijken maar de katholieken die dwars lagen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de katholieken meededen maar de bisschop stak daar zelf een stokje voor.  De de Katholieke Boeren- en TuidersBond (KBTB) die aanvankelijk mede-initatiefnemer was, trok zich na deze berisping terug. In de Twentsche Courant - toen een katholieke krant - van half april 1948 wordt daar al op gezinspeeld en bespreekt men het manifest. 


En het blijft niet bij woorden van de katholieken. In november 1948 hebben ze dan al een eigen centrale opgericht: de Katholieke Centrale voor Lectuurvoorziening (KCVL) Overijssel. 

Cultureel ondernemers avant la lettre

Van Uxem en Goudzwaard waren cultureel ondernemer voordat het woord was uitgevonden. Van Uxem reisde gemeente na gemeente af en wist als een ware koopman de bibliotheken aan de man te brengen. Hij wist een juridische constructie te verzinnen waardoor hij als plattelandsorganisatie ruimer gebruik kon maken van de Rijkssubsidieverordening. Er ging daardoor aanzienlijk meer geld naar het platteland dan voorheen. Alle provincies volgde de slimme constructie van Van Uxem. Vanaf eind jaren '50 tot eind jaren '70 was het Overijssels bibliotheekwerk één grote bouwput. Bibliotheek na bibliotheek werd uit de grond gestampt. Toen Van Uxem en Goudzwaard midden en eind jaren '70 met hun werk stopten, was de organisatie uitgegroeid tot een bibliotheekimperium met 55 bibliotheken en 400 medewerkers. In een kleine dertig jaar van twee naar 400 medewerkers en van nul naar 55 bibliotheken. Kom er eens om. 

Bij de katholieken gebeurde iets soortgelijks. Zij hebben meer ingezet op bibliobussen dan op bibliotheken maar Rein Heerink was daar een evengrote pionier als Van Uxem en Goudzwaard. 

Iconische pioniers
Ook in Gelderland voltrok zich een soortgelijke ontwikkeling, hoewel een paar jaar later. De katholieken waren daar als eerste actief in 1951 terwijl een openbare tak in 1957 van start ging. Met legendarische namen als Corry van Ommen, Lucy Mesdag. Bekijk even deze foto uit 1982 en zie welk imperium aan Bibliobussen er in Gelderland rond reed.


De achterstand van het platteland
De provinciale ondersteuningsinstelling van nu is niet meer de bibliotheek van het platteland van toen. Toch is de vraag: hebben steden en platteland dezelfde mogelijkheden, nog steeds actueel. De POI's zijn netwerkorganisaties geworden die het stelsel ondersteunen. Nog steeds met de taak tot innoveren en het vinden van goede oplossingen om zowel in dorpen als in wijken van steden tot een goede inzet te komen voor de ontwikkeling van inwoners. 

POI's als onderdeel van een bibliotheekstelsel. Een stelsel waar ik me elke dag met plezier voor inzet. Ik zie wat de iconische pioniers voor ons tot stand hebben gebracht en hoe cultureel ondernemers vóór mij dit hebben uitgebouwd. Met dat gegeven is het een dure plicht om ook in de komende jaren elke dag opnieuw te bedenken welke stappen we met elkaar kunnen zetten om kansen voor inwoners in dorpen en steden nog verder te vergroten. 

Maar voor nu kijk ik met verwondering achterom. Ik feliciteer mijn collega-POI's en ik feliciteer het bibliotheekstelsel. En ik maak vandaag een klein dansje tussen de kaartenbakken. En het mag. Want wie goed kijkt naar het bordje op de deur, ziet het staan, het is geen catalogusafdeling maar een discotheek!    
 
De foto's van dansende bibliothecarissen komt uit het archief van de Gelderse tak van Rijnbrink. Ik vermoed begin jaren '70. Wie namen weet mag het zeggen.