zondag 16 juni 2024

De route naar de zorgplicht voor bibliotheken (zoals we die nu kennen) in vier vragen

Als iets een beleidsonderwerp is in onze bibliotheeksector dan is het toch wel de zorgplicht voor gemeenten en provincies. Een onderwerp waar al veel politieke en ambtelijke kilometers op gemaakt zijn en waar we zo stap voor stap het einde naderen. Een onderwerp dat aan Haagse vergadertafels vorm krijgt maar waar gemeenten en provincies mee aan de slag moeten. En een onderwerp waar het geld eerder komt dan de wet...  Dat menig gemeenteambtenaar of wethouder hier het spoor even bijster raakt, snap ik wel. Ik zette maar eens op een rijtje wat ik ongeveer weet. Met gelijk een disclaimer: er wordt nog volop gepraat, nog lang niet alles ligt vast en ik weet ook niet alles.

Ik neem u mee langs vier vragen die u kunt hebben en wat ik op dit moment weet over die vragen.

Vraag 1: Wat gaat er veranderd worden in de wet?

De wet waar we over praten is de Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen. Die wet regelt nu hoe drie overheidslagen zich kunnen inzetten voor bibliotheekwerk. Met nadruk op 'kunnen' want het 'moet' niet. Het wordt nu gezien als een bevorderingstaak. En dat wordt een zorgplicht: gemeenten en provincies worden verplicht om een lokale bibliotheek of een provinciale ondersteuningsinstelling te hebben. 

Bij een zorgplicht hoort ook altijd toezicht. En dat toezicht wordt altijd uitgevoerd door de bovenliggende bestuurslaag. Dat betekent dat provincies toezicht gaan houden op gemeenten voor de uitvoering van de zorgplicht. In de wet zal komen te staan dat gemeenten hiervoor een gemeentelijk meerjarenplan voor bibliotheekwerk moeten hebben en dat aan provincies moeten aanbieden. In dat meerjarenplan zullen gemeenten moeten aangeven hoe ze het bibliotheekwerk de komende jaren gaan invullen en hoe ze dat gaan financieren. De exacte invulling van zo'n plan volgt nog in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). 

Vraag 2: Wanneer gaat de wet in en wanneer komt het geld?

De wetswijziging was oorspronkelijk voorzien per 2025. Maar zoals dat vaker gaat bij bestuurlijke trajecten, vraagt de invulling door omstandigheden meer tijd. Op dit moment wordt gekoerst op invoering van de wetswijziging - en dus de formele zorgplicht - per 1 januari 2026. De ambtenaren op het ministerie houden graag vast aan deze datum. Het gaat echter nooit sneller. De tekst van de wetswijziging nadert zijn voltooiing. Er wordt gewerkt aan de memorie van toelichting en daarna starten allerlei adviestrajecten. Daarna kan de wetswijziging naar de Tweede Kamer en daarna door naar de Eerste Kamer.  Alles bij elkaar een traject dat nog zeker een jaar vraagt.

En dan het geld. Want daar gebeurt iets bijzonders. Voor 2023 en 2024 waren al gelden voorzien (de  €18,7  miljoen en € 38,7 miljoen) en die zijn gebruikt voor een aanloopregeling voor nieuwe vestigingen en verruiming van openingstijden. Dat is de beroemde SPUK-regeling voor bibliotheken. Voorzien was dat er vervolgens vanaf 2025 een kleine € 50 miljoen structureel beschikbaar zou zijn als ondersteuning van de zorgplicht. Dit bedrag gaat naar gemeenten. Een bedrag van nagenoeg € 3,- per inwoner waarmee de zorgplicht ondersteund kan worden. Echter, de wet gaat pas per 2026 in. Wat gebeurt er dan met het geld? Nou, dat geld komt gewoon naar gemeenten per 2025. Dat is al meerdere malen bevestigd. 

Voor 2025 en 2026 zal dat gebeuren middels een decentralisatieuitkering. Dat betekent dat die € 3,- per inwoner geoormerkt voor bibliotheekwerk naar gemeenten zal gaan. Gemeenten moeten die dus doorgeven. Dit is bevestigd in de laatste beleidsbrief over bibliotheekwerk aan de Tweede Kamer van november 2023. Daarin heeft de staatssecretaris ook aangegeven dat ze kleine gemeenten in deze periode nog wil bevoordelen omdat zij het het zwaarst hebben met de zorgplicht. In de afgelopen tijd hebben hiervoor verschillende bedragen gecirculeerd. Voor gemeenten onder de 30.000 inwoners circuleerde een basisbedrag van tussen de € 75.000 en € 100.000 per jaar. Voor gemeenten boven de 30.000 inwoners circuleerde een bedrag van tussen de € 2,75 en € 2,95 per inwoner. Op dit moment lijken de bedragen € 100.000 per jaar te worden voor gemeenten onder de 30.000 inwoners en € 2,95 per inwoner voor gemeenten boven de 30.000 inwoners. 

Dit bedrag komt dus al over zeven maanden beschikbaar, en zal dus al in de volgende begroting landen. Uit de wandelgangen begrijp ik dat gemeenten in de septembercirculaire voor het gemeentefonds het definitieve bedrag zullen kunnen lezen. Dat wordt dus schakelen.

Vanaf 2027 zou dit bedrag niet meer via een decentralisatieuitkering beschikbaar komen maar regulier via het gemeentefonds. Het oormerk valt dan weg maar gemeenten en bibliotheken hebben dan wel twee jaar de tijd opgebouwd om hier richting aan te geven. Maar het is maar een jaar na de invoering van de zorgplicht.   

Vraag 3: Wat houdt het normenkader in?

In de wetswijziging komt dus de verplichting voor elke gemeente om een bibliotheek te hebben. De wet zal echter maar heel beperkt normen meegeven over die bibliotheekvoorziening. Dat heeft te maken met de afspraken die er zijn rond bestuurlijke verhoudingen. Kort gezegd is daarin afgesproken dat je maar invloed mag uitoefenen voor de hoeveelheid geld die je inbrengt. Er komt nu ruim € 50 miljoen beschikbaar vanuit het Rijk maar dat is maar ongeveer 10% van de hele bibliotheekbegroting. In de wet zal dus maar een heel beperkt normenkader meegegeven gaan worden. 

De staatssecretaris heeft daarom de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) uitgenodigd om tot een aanvullend normenkader te komen. Het concept van dat normenkader ziet u hierboven. Het kent vier normen: 1) Inhoud, 2) Aanwezigheid, 3) Bekostiging en 4) Professionele bemensing. 

De normen zoals hierboven staan zijn op dit moment nog onderwerp van gesprek. VNG en VOB hebben ze allebei onlangs aan hun achterban gepresenteerd. En daar zal wellicht nog wel wat bij opgemerkt worden. Helder is ook dat het een ingroei- of streefnorm is. Hij zal dus niet (gelijk) verplichtend worden maar men zal dit een tijd volgen om te zien of dit goed richting geeft en dan besluiten wat er verder mee te doen. 

Kijken we nog even kort naar deze normen. Bij de inhoudelijke norm wordt aangegeven dat in het gemeentelijk meerjarenplan ingegaan moet worden op functies in de wet, de ondersteuning van het onderwijs en de invulling van de fysieke verblijfplaats. Bij de aanwezigheidsnorm wordt een richtlijn gegeven voor het aantal vestigingen. Bij de financieringsnorm wordt teruggegrepen op een oude VNG-norm uit 2003 die is geïndexeerd naar 2024 en waarbij rekening is gehouden met € 3,- per inwoner extra die het Rijk beschikbaar stelt. En tot slot geeft de norm voor professionele bezetting wat het minimum is aan professionele inzet per vestiging. 

Met name de vestigingennorm en de financieringsnorm trekken de aandacht. Uit achterliggende cijfers blijkt dat de vestigingennorm om 180 extra vestigingen vraagt in Nederland of ombouw van servicepunten naar vestigingen. Die trend van meer vestigingen is overigens al gestart met de SPUK-gelden uit 2023 en 2024 die precies op deze punten tot investeringen leidden. Zo gek is die gedachte dus niet. 

De financieringsnorm is een spannende. Een snelle rekensom van mijn kant is dat 75% van alle gemeenten in Nederland die norm nu niet haalt. Naast die € 3,- per inwoner van het Rijk vraagt die norm dus óók om extra investeringen van de gemeente. Het kan zijn dat ik dat nog wel eens verder ga uitdiepen want ik vermoed dat er tussen provincies nog wel wat verschil kan zitten. Zo is bekend dat Gelderland, Drenthe en Utrecht in de regel flink onder het landelijk gemiddelde zitten als het gaat om financiering. Maar nogmaals, ik verwacht dat een hele grote meerderheid ónder die norm zit. 

Vraag 4: En wat kunt u nu doen?


Tja, wat nu? Op de eerste plaats: er ligt al een hele weg achter ons. Die begon eigenlijk in 2015 met de invoering van de nieuwe wet. Die wet kreeg in 2019 en 202 een evaluatie en in het nog steeds huidige demissionaire kabinet werden daar door staatssecretaris Uslu  en later staatssecretaris Gräper flinke stappen gezet. De wetsteksten liggen klaar op bureaus van ambtenaren en de eerste herstelmiddelen voor 2023 en 2024 zijn al ingezet. Wie bang is dat deze trein nog stopt, kan ik geruststellen, dat gaat niet gebeuren. Er is ook bij de nieuwe samenstelling van de Kamer brede steun om door te gaan. Eerder analyseerde ik voor u al het hoofdlijnenakkoord met die conclusie. 

Als dat zo is, dan gaat het nu snel. Want per 2025 krijgen gemeenten dus al extra geld terwijl er nog geen zorgplicht is. Ook de verplichting voor een gemeentelijk meerjarenplan is er - zolang de zorgplicht er nog niet is - nog niet. Maar ja, u wilt of u nu gemeente bent of bibliotheek wel richting gaan geven aan de toekomst. Ik zou dus maar vast beginnen met een plannetje voor de toekomst: hoe gaat u die extra structurele middelen inzetten? Dat begint ambtelijk maar zal toch ook een keer politiek worden. Het wordt voor 2025 en 2026 een decentralisatieuitkering dus er hoeft geen discussie te zijn waar het geld naar toe moet: het moet gewoon door naar bibliotheken en het is helder dat de intentie van die middelen een verhoging van het structurele budget is. En ach, door daar nu mee te beginnen, begint u eigenlijk al aan dat gemeentelijke meerjarenplan waar u toch mee aan de slag moest.

Het bijzondere is dat u uw SPUK-middelen - die sommigen nog beschikt moeten krijgen - ook in 2025 nog uitgegeven mogen worden en wellicht zelfs nog iets later. Er ontstond dus financieel overlap in 2025. Met andere woorden beste wethouders, ambtenaren en directeuren: als u iets wilde regelen en bereiken met de bibliotheken dan is 2025 het jaar waarin het zou kunnen! En voor de wethouders: maakt u ook nog een goede sier voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2026. Maar die tip hebt u uiteraard niet van mij. 

U bent weer bij. Nog lang niet alles is zeker maar er is werk aan de winkel en ik wens u daarbij veel succes. 

zondag 9 juni 2024

Hoe we één miljard boeken niet meer lazen.. en waarom lezen cruciaal blijft

In de afgelopen twintig jaren lazen we in Nederland één miljard boeken niét. Dat is de conclusie die ik trok toen ik eens wat uitleencijfers op een rijtje zette. En dat in een maatschappij waar één op drie jongeren in het voorportaal zit van laaggeletterdheid en waar 2,5 miljoen volwassenen laaggeletterd zijn. En beide cijfers dalen niet maar stijgen...  Dus wat doet het met onze leesvaardigheid als we met elkaar één miljard boeken niet meer lezen? Eén miljard. Dat zijn er gemiddeld 62 per Nederlander. Laat me eens uitleggen hoe ik tot deze schokkende cijfers kom. 

Kun je eens wat cijfers op een rijtje zetten?

Een tijdje geleden werd ik gebeld of ik eens wat cijfers op een rij wilde zetten over collectie. Nu zijn cijfers over collecties altijd tricky. Systemen zijn onderling slecht vergelijkbaar of hanteren verschillende definities. Op micro-niveau praten over collecties vraagt een soort chirurgische precisie. En op dat niveau zit ik gewoon niet. Ik besloot daarom om er een onbetwiste dataset erbij te pakken. En die onbetwiste dataset zijn de cijfers die het CBS al jarenlang beschikbaar stelt over bibliotheken. Die dataset bouwt weer voort op de huidige gegevenslevering.  En het fijne is dat je daardoor heel langjarig kunt kijken. En dat past bij collecties: dat zijn diepte-investeringen. Een boek dat je vandaag koopt, moet een jaar of tien meegaan. Wie vandaag zijn collectie gaat veranderen ziet dus pas over een paar jaar echt resultaat. De collectie is een olietanker die maar langzaam keert. 

En zo begon ik dus aan die dataset van het CBS. 

90 miljoen uitleningen kwijt, nog 54 miljoen uitleningen over

Nu zijn collecties vaak een afspiegeling van de uitleningen. Wordt er méér geleend dan maken we de collectie groter, wordt er minder geleend dan wordt de collectie kleiner.  Dat er in Nederland elk jaar wat minder geleend werd, was wel bekend. We lezen nu eenmaal wat minder. Als redenen worden dan genoemd dat er meer concurrentie is op het gebied van vrije tijd en het feit dat we steeds meer tijd achter een schermpje doorbrengen. Maar wie de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar op een rij zet, schrikt toch wel. We gingen van 146 miljoen uitleningen in 2002 naar 54 miljoen uitleningen in 2022. De jaarcijfers over 2023 moeten nog komen. De vraag is namelijk of we al helemaal uit de coronadip waren in 2022. Het kan zijn dat we nog een paar miljoen uitleningen plussen maar het kan ook zijn dat dit het toch echt is. In elk geval is helder wat de trend is: we lenen minder boeken (en ja ook wat andere media) en we lezen dus ook minder boeken.

Het verschil tussen 2002 en 2022: één miljard minder boeken

In 2022 leenden we dus 90 miljoen minder boeken bij bibliotheken dan in 2002. En lazen we er dus waarschijnlijk ook zo'n 90 miljoen boeken minder. Vooruit, ik kan er een beetje naast zitten, niet elk geleend boek wordt gelezen en niet elke uitlening was een boek, maar dat is met dubbeltjes afdingen op de aanschaf van een huis. Een slimmerik kan nog zeggen dat de Bibliotheek op school niet is meegenomen bij deze uitleningen. Maar zelfs de Bibliotheek op school kwam niet verder dan 6,4 miljoen uitleningen in 2022. En ebooks dan? Ooit aangekondigd als de vervanger van fysieke boeken... Ook die doen maar een kleine vijf miljoen uitleningen. Het dempt het gat allemaal absoluut niet. Blijft staan dat we een miljard boeken met elkaar niet lazen: kinderen, volwassenen, ouderen... dwars door de samenleving.

Het karakter van de bibliotheek verandert


Nu zien we wel een andere trend in bibliotheken. De klassieke bibliotheek transformeert naar een maatschappelijk-educatieve bibliotheek waar leren en ontwikkelen in de brede zin van het woord invulling wordt gegeven. En dat zien we ook terug in de statistieken. Als je uitleningen (in staaf en as rechts) en bezoekersaantallen (in lijn en as links) naast elkaar zet, dan zie je dat ongeveer tot 2015 de daling van bezoekersaantallen gelijke tred houdt met de daling van uitleningen. Rond 2015 kentert dat. De uitleningen blijven dalen terwijl de bezoekersaantallen stap voor stap stijgen. Bibliotheekbezoekers komen naar de bibliotheek voor iets anders dan voor het halen van een boek: er wordt gestudeerd, er worden cursussen gevolgd of men gaat naar een spreekuur. Er zijn taalhuizen en informatiepunten Digitale Overheid. Allemaal prachtige ontwikkelingen waar ik zelf hard en met veel plezier aan meewerkte.

Het effect van één miljard niet gelezen boeken


En toch. Ik vind dat we ons als sector ons te gemakkelijk neerleggen bij het feit dat we minder lezen. Elk jaar werd het een heel klein beetje minder. Maar wie over 20 jaar kijkt, ziet welk gat er geslagen is. Met de PISA-score wordt dat voor kinderen goed bijgehouden. In de afgelopen twintig jaar veranderden Nederlandse kinderen van slimme maar domme lezers. En elke drie jaar - als er weer een nieuw rapport uitkomt - schreeuwen we moord en brand. En ja, we doen er nu alles aan om op scholen de leesmotivatie van kinderen weer te verhogen met leesconsulenten en actuele collecties. De cijfers laten zien dat kinderen absoluut veel minder lezen dan twintig jaar geleden en dat het aantal uitleningen in de Bibliotheek op school het leesravijn absoluut nog niet dempt. Daar is nog heel veel meer voor nodig. Ja, ook meer geld, beste minister. 

Maar de grote afwezige in dit verhaal zijn toch wel de volwassenen. Zeker, we zoeken tegenwoordig informatie op internet en dat scheelt een hoop leeswerk in boeken. Ook voor dit artikel zocht ik weer menig feitje op die manier op. Maar dat neemt niet weg dat meer lezen en blijven lezen ook voor volwassenen veel voordelen kent: je taal- en leesvaardigheid onderhouden. If you don't use it, you lose it, om het maar in goed Nederlands te zeggen. 

Bij de Bibliotheek op school kennen we het credo: een kwartier lezen per dag is 1.000 nieuwe woorden per jaar. Maar we zijn als samenleving niet een kwartier méér gaan lezen, maar juist minder. Onze woordenschat en tekstbegrip zal daardoor achteruit gaan. En de manier waarop we ons kunnen uitdrukken en waarop we onderling begrip kunnen uitdrukken vermindert daardoor. 

Elk jaar lezen we bijna honderd miljoen boeken minder dan in 2002. Als elk boek staat voor ongeveer vier uur leesplezier dan gaat het om 400 miljoen uur gemist leesplezier. Jaar na jaar. En inmiddels staat de teller op meer dan één miljard niet-gelezen boeken sinds 2002. En de oplossing heb ik ook niet maar volgens mij ligt hier een dure plicht voor de samenleving en bibliotheken. 

Het kan haast niet anders of dit soort aantallen doen iets met een land.  

Dit land verdient lezers.  
En lezers die meer lezen.

Lees!
Lees!
Lees!

zondag 2 juni 2024

Bril

Hoe is het met uw vertrouwen in de mensheid? Mijn vertrouwen in de mensheid ging de afgelopen tijd alle kanten op. En het hing allemaal af van een, eh, bril. Hoe dat zat? Lees dan verder.

Bril 1

Een paar weken geleden was ik onderweg naar een afspraak. Ik moest overstappen in Amersfoort. Ik zette mijn computerbril af en zette mijn gewone bril op, klapte mijn laptop dicht en pakte mijn tas in. Ik moest naar een ander spoor, trap op, trap af, en in de nieuwe trein. 

Ik klap mijn laptop weer open en pak mijn... bril? Ja, waar is mijn bril? En zodra ik dat constateer weet ik al wat er is gebeurd. Mijn computerbril ligt nog in de andere trein. Het hoesje had ik op mijn schoot gelegd en dat moet er vanaf gegleden zijn. En omdat het op een ander spoor is, heeft het geen zin terug te rennen. Balen, bril kwijt.

Ik ga naar de website van de NS en vul het formulier in van gevonden voorwerpen. Ik weet exact in welk treinstel ik zat, ik weet de kleur van het hoesje en de kleur van de bril. Alleen het merk weet ik niet meer. Na een half uurtje komt de conducteur langs. Ik vraag of hij kan bellen met de conducteur van de trein waar ik in zat. Dat kan hij. Maar ook na het belletje is de bril niet gevonden. 

De NS stuurt me een bevestigingsmailtje van mijn verloren voorwerp en waarschuwt dat als het niet binnen twee dagen gevonden wordt, dat ik er dan maar vanuit moet gaan dat het echt verloren is. 

Na twee dagen krijg ik een mailtje van de NS. Mijn bril is nog niet gevonden. Ondertussen weet ik wel het merk van de bril en ik kijk of ik dat nog ergens door kan geven. Ik eindig met een telefoonnummer van de klantenservice. Kies 1 voor dit, kies 2 voor dat. En na maar liefst vier keuzes hoop ik dat op de juiste plek kom. Ik zet mijn telefoon al op de speakerstand want het zal wel even wachten worden. 

Ik heb de telefoon nog niet op de luidspreker staan of een aardige vrouw neemt op. Ze luistert naar mijn verhaal en zegt dat ze dat merk nog aan mijn melding kan toevoegen. Ik geef het merk door en ze zegt: 'Nou, dan hebben we uw bril gevonden. En die sturen we u toe.' 

Even val ik stil. Gelijk een mens aan de lijn die precies kan doen wat ik wil en dan ook nog gelijk je bril vinden! Mijn dag kan niet meer stuk. De zon gaat in één keer schijnen, ik ben blij en ik maak en klein dansje door de kamer. Zoiets. Ik bedank de mevrouw. 

Mijn vertrouwen in de mensheid is in één klap weer helemaal goed. 

Iemand heeft mijn bril gevonden en die netjes gemeld. Iemand heeft mijn bril netjes en op tijd ingevoerd. En iemand neemt netjes mijn telefoon op en weet precies wat ze moet doen. Ik liep de hele dag met een grote glimlach rond kan ik u vertellen. 

En dat allemaal om een bril.

Bril 2

Een kleine week later fiets ik in de ochtend naar mijn werk. Een jonge vrouw haalt me in en ik hoor dat er iets op de grond valt. Ik kijk op de grond en zie haar zonnebril liggen. Ik rem en  roep haar na: 'Mevrouw, u raakt uw bril kwijt!'. Ze hoort me niet en kijkt niet om. Ik pak de bril op en besluit achter haar aan te fietsen. 

Maar als ik eenmaal vaart heb gemaakt zie ik dat het een wat ongelijke strijd wordt. Zij heeft een elektrische fiets en ik niet.... Ik haal diep adem en waag het erop en zet een sprint in. Dat valt vies tegen. 

Maar hé, ik heb geluk. Daar is een stoplicht. Als die op rood staat dan haal ik het wel. En dat licht is inderdaad rood. Ja, voor nog drie seconden en het licht springt op groen. Daar gaat ze weer. Maar dan heb ik toch wat geluk. De weg gaat naar beneden en de elektrische fiets is begrensd in snelheid. Dat is mijn kans. Ik haal nog een keer diep adem, zet nog een keer aan en kom naast haar te fietsen. Ik houd de bril voor haar. 

Een verbaasde blik is mijn deel. Ze heeft oortjes in.  'Uw bril', zeg ik nog. 

Zonder enige emotie in haar gezicht zegt ze 'Oh dank je'. Ze zet even iets aan en weg is ze. Hijgend laat ze me achter. 

Het is inderdaad maar net welke bril je hebt.  

Het vertrouwen in de mensheid hangt af van je... eh... bril.