zondag 28 maart 2021

De kansenkaart: hoe wordt een dubbeltje een kwartje


Sommige wetenschappelijke onderzoeken lijken wel wat op de ontdekkingsreizen van de afgelopen eeuwen. Je betreedt land dat nog nooit in kaart is gebracht en je probeert te doorgronden hoe het in elkaar zit. Eén van die onderzoeksgebieden is 'Kansongelijkheid'. Zelfs in ons genivelleerde landje zijn de verschillen soms toch nog groot. Het ene gezin leeft van de voedselbank, het andere gezin vraagt zich af waar de tweede of derde vakantie naar toe moet gaan. En in welk gezin heeft een kind de beste kansen denk je? Inderdaad, de logische gedachte is dat kinderen in gezinnen met een hoger inkomen of ouders met een hogere opleiding meer kansen hebben. 

In de regel is dat ook zo. Maar niet altijd, zo blijkt uit onderzoek van de Erasmus-universiteit die dit in beeld brachten met een Kansenkaart. En voor bibliotheken die inzetten op het voorkomen van laaggeletterdheid op jonge leeftijd is dat een interessant gegeven. Maar eerst iets meer over het algemene beeld.

Waarom is opleidingsniveau relevant?
Al jaren volg ik de rapporten over de 'Sociale staat van Nederland' die het SCP met regelmaat uitbrengt. Men staat dan stil bij de 'zachte kant' van Nederland: hoe gaat het met het onderwijs, hoe tevreden zijn we over hoe we wonen, hoe veilig vinden we het en hoe gelukkig zijn we? Rapport na rapport toont elke keer dat mensen die beter opgeleid zijn, vaardiger zijn om hun eigen leven vorm te geven, meer verdienen, beter wonen en hun leven een hoger cijfer geven. Natuurlijk kun je gelukkig zijn met minder opleiding maar je moet er in de regel dan meer moeite voor doen. En uiteraard zijn er veel uitzonderingen die de regel bevestigen: laagopgeleid en opperst gelukkig en hoogopgeleid en diep in de put.

Minder opleiding is niet alleen een issue voor grote steden
Bovenstaande kaart geeft het beeld van het percentage hoogopgeleide dertigers. Had u dit beeld verwacht? Ik was eerlijk gezegd wel overdonderd over het feit dat niet alleen in grote steden grote percentages laag- of middelbaar opgeleid zijn maar ook op het platteland. Er is veel aandacht voor problematiek in grote steden maar de achterstand op het platteland is minstens even groot. Maar het lijkt erop dat dat veel minder aandacht krijgt. Ik verwacht dat als je dit doortrekt, je kunt stellen dat er in grote steden meer mensen wonen waarvoor Nederlands de tweede taal is (de NT2'ers) maar dat er op het platteland een grote groep Nederlanders woont waarvoor taal ook een probleem zal zijn maar die wel zijn opgegroeid met de Nederlandse taal (de NT1'ers). 

Hoogopgeleide dertigers
De generatie die hierboven in beeld is gebracht is de generatie die op dit moment kinderen krijgt en de generatie waarvan de ouders vaak ook nog leeft. Het is dan ook de perfecte middengroep dus om te zien wat er is gebeurd in de generatie ervoor en wat er gaat gebeuren in de generatie erna. Want voor laaggeletterdheid geldt bijvoorbeeld dat dit - net als armoede - vaak overgaat van generatie op generatie. Wie opgroeit in oost-Groningen, het Rivierengebied of de noordwesthoek van de Veluwe loopt een hogere kans op laaggeletterdheid dan bijvoorbeeld in de gemeenten Wassenaar, Wijdemeren, Bunnik of Lochem. 

De Volkskrant publiceerde op basis van dit onderzoek in oktober vorig jaar nog dit lijstje met meest kansarme en kansrijke gemeenten. 



Waar je wiegje stond, maakt dus inderdaad uit. En opvallend is dat de wiegjes met minder kansen echt niet alleen in de grote steden staan. Sterker nog: de vier grote steden komen in het lijstje met meest kansarme gemeenten niet eens voor. We moeten dus van grote-steden-problematiek naar kansongelijkheid-problematiek. 

Maar sommige gemeenten ontworstelen zich


Maar er is meer. Want in mijn vorige paragraaf leg ik de nadruk op het probleem. Maar was is de oplossing? Hoe doorbreek die cirkel van generaties? 

Dit is dezelfde kaart maar nu heb ik gezocht op alle dertigers die uit een gezin komen met een laag inkomen. De algemene verwachting is dan dat je ziet dat een lager percentage hoogopgeleid zal zijn. Die regel wordt in algemene zin wel bevestigd. Er is meer rood gekleurd op deze kaart dan in de vorige. Toch zijn er veel plekken die afwijken van deze regel. Er zijn gemeenten die beter scoren dan anderen.  Zij verspringen in gunstige zin van kleur: kinderen uit een armere gezinnen scoren daar beter dan kinderen uit armere gezinnen in andere gemeenten. In de afgelopen generatie is het daar dus op veel plekken gelukt om in opleidingsniveau een stap vooruit te zetten. In andere gebieden is dat nadrukkelijk niet het geval: in grote steden, oost-Groningen en eigenlijk de hele bible-belt. 

Vervolgonderzoek
Laaggeletterdheid, armoede, gezondheidsachterstand en ten dele ook criminaliteit wordt gekenschetst als 'intergenerationele problematiek' Gezinnen zitten gevangen in hun eigen situatie en zijn niet in staat de vicieuze cirkel te doorbreken. Het feit dat het ons als samenleving niet lukt om daar een goede oplossing voor te vinden, leidt tot een groeiende onrust en polarisatie in de samenleving. Wie namelijk de selectie maakt op bijvoorbeeld meisjes met een niet-westerse achtergrond uit een arme gezin, kan dat zien dat deze groep in de afgelopen generatie een enorme sprong vooruit heeft gemaakt in kansen. Dat terwijl grote groepen met een laag inkomen en een Nederlandse achtergrond die sprong vooruit niet hebben gemaakt. 

Opleiding als sleutel naar geluk
De onderzoekers van de Erasmus-universiteit gaan nu op zoek naar de kenmerkende verschillen waarom het in de ene gemeente wel lukt om een te groeien in opleidingsniveau en op andere plekken niet. Sterker nog, men onderzoekt zelfs verschillen tussen wijken in steden. Er zijn wijken waar het inkomen veel lager ligt, maar waar toch veel grotere vooruitgang wordt geboekt in opleidingsniveau. Waarom? Dat is voor een groot deel onbekend terrein. De ontdekkingsreizigers van de Erasmus School of Economics, zoals het in goed Nederlands heet, gaat dat de komende jaren verder onderzoeken. 

En bibliotheken? Twee tips
Ik vind dat bibliotheken mee moeten kijken en mee moeten doen bij dat onderzoek. Interventies als de VoorleesExpress, Boekstart, Mamacafés of Taalhuizen richten zich direct of indirect op deze problematiek. En ook met de Bibliotheek op School of met de Informatiepunten Digitale Overheid proberen we iets aan te reiken dat op lange termijn impact moet hebben op de samenleving. En natuurlijk is de bibliotheek niet de oplossing voor dit hele probleem maar het is toch aardig om te weten waar wel impact is en waar niet. En waarom.

En het tweede wat bibliotheken wellicht mee kunnen nemen: het zijn niet altijd de grote steden waar de achterstand zit of waar het meest bereikt kan worden. Juist de roodgekleurde gebieden die wat achterblijven kennen veel gemeenten die hun bibliotheek maar mager voorzien van financiering. Dat snap ik niet. Want ik zou denken dat de bibliotheek onderdeel kan zijn van de oplossing van de gemeentelijke begroting op lange termijn (minder mensen zonder werk, hoger inkomen) dan dat het gezien wordt als een kostenpost op korte termijn (grootste ontvanger cultuursubsidie). De overheid belijdt wel vaak dat regeren vooruitzien is, maar in de praktijk betekent dat vooral toch de begroting van volgend met bezuinigingen sluitend maken.

Nou ja, ik zou zeggen, kijk uw eigen gemeente eens na hoe het ervoor staat en kijk eens of u beredeneren waarom het zo is. En voor de eerst: ik ga met spanning uitkijken naar de vervolguitkomsten van dit onderzoek. Hulde aan deze onderzoekers, de ontdekkingsreizigers van de moderne tijd. 

zondag 21 maart 2021

Ebookstatistieken 2020: Forse groei maar vooral door bestaande lezers

Op 19 januari van dit jaar meldde de KB al dat er fors meer ebooks uitgeleend waren. De uitleen van ebooks steeg fors van 3,8 miljoen naar 5,6 miljoen uitleningen. Een stijging van 46%. Het duurde echter nog een tijdje voor ook de dataset die daarbij behoord beschikbaar was en die liet ik vervolgens ook nog eens even liggen. Maar ik heb alle cijfers weer eens voor u (en voor mezelf) op een rijtje gezet.

Dat er meer ebooks zijn geleend in een tijd van bibliotheken die maar heel beperkt open mochten, was natuurlijk niet vreemd. Ook ikzelf schafte dit jaar een e-reader aan en ging actiever gebruik maken de Online Bibliotheek. De Online Bibliotheek heeft tijdens de pandemie dus zeker zijn waarde bewezen. Sommige mensen denken dat die online variant volledig de teruggang in uitleningen wel zal opvangen maar dat is geenzins het geval. 

In een eerder blog ging ik daar al op in en liet ik bijgaande grafiek zien die ook al een eerste prognose bevat van de fysieke uitleningen van openbare bibliotheken op basis van de opgave van leenrecht.


De digitale uitleningen is dus met bijna 2 miljoen items gestegen maar de fysiek uitlening lijkt met 20 miljoen gedaald te zijn. De uitlening van ebooks compenseert dus ongeveer 10% van het wegvallen van fysieke uitleningen. Vanuit dat oogpunt is helder dat ebooks voor velen - zelfs niet in een crisis - een aantrekkelijk alternatief is voor een fysiek boek. Overigens is het aandeel ebooks binnen het totaal van uitleningen wel gestegen van 6% naar 12%. Maar dat komt dus grotendeels door de daling van de uitlening van fysieke boeken.

Nauwelijks nieuwe gebruikers? 


Om gebruik te kunnen maken van ebooks moet je jezelf registreren. Dat kan door je gewone bibliotheekkaart te registreren bij de online bibliotheek of door rechtstreeks lid te worden van de online bibliotheek. In bovenstaande staatje zie je hoeveel gebruikers er door de jaren heen waren die één of meer ebooks leenden. Dit noemt men de 'actieve accounts'.  Hoewel de uitleningen van ebooks steeg met 46% kwamen er nauwelijks nieuwe actieve leners bij. Als je het omrekent, zou de groei slecht 3% zijn. Daaruit zou je kunnen concluderen dat er een groot bestand is dat zowel digitaal als fysiek leent en dat die groep veel actiever is gaan lenen in het afgelopen jaar.  

Aanvulling op 29 maart: Daar is echter een kanttekening op zijn plek. Nadat ik de eerste cijfers had gepubliceerd, meldde Eric Daamen, waarnemend hoofd Marketing & Educatie mij dat 2020 echter een bijzonder jaar was voor het ebookplatform . Door Bij het in gebruik nemen van een het nieuwe online Bibliotheek-platform zijn namelijk alle gebruikerstellers  medio dit jaar op nul gezet, en zijn de voorheen aparte accounts voor e-books en voor luisterboeken omgezet naar één nieuw account, waarmee zowel e-books als luisterboeken geleend kunnen worden. Bij actieve gebruikers geldt normaal de regel dat ze in het afgelopen jaar minimaal één keer dat jaar actief moeten zijn geweest (dus 1 e-book of 1 luisterboek moeten hebben geleend). Nu hadden gebruikers daar maar een half jaar voor. Het werkelijk aantal actieve accounts stijgt dan ook nog en zal in 2021 daardoor nog een flinke groei laten zien. Bovendien zitten in tegenstelling tot eerdere jaren (met alleen e-bookaccounts) tussen de nu 240.280 gerapporteerde accounts over 2020 ook accounts waarmee mogelijk alleen luisterboeken zijn geleend.

Op basis van bovenstaande aantallen kom je dan tot onderstaande grafiek.

In 2020 leende elke gebruiker gemiddeld 23 ebooks. De jaren daarvoor zat dat rond de 15 ebooks. Je kunt hieruit concluderen dat het grootste deel van de gebruikers van de Online Bibliotheek zowel fysiek als digitaal leent en dat juist zíj in deze crisis volledig digitaal zijn gaan lezen. Met de opmerking dat er nog een correctie komt door bovenstaande aanvulling die dit nog iets zal afvlakken. Ook dat herken ik wel van mezelf. Ik was een kleine gebruiker van de Online Bibliotheek tot vorig jaar en las dan boeken op mijn tablet. Door de crisis ben ik overgestapt naar een e-reader en heb ik de ebooks tijdens de lockdown veel gebruikt. Hoewel ik -  nu het wat langer duurt - ook weer veel titels reserveer bij de fysieke bibliotheek omdat het titelaanbod in de fysieke bibliotheek nog steeds veel groter is. Maar ik denk dat ik inderdaad het afgelopen jaar ook wel die 23 digitale uitleningen gehaald heb.

Ebookleners worden weer ouder.... en jonger!

Veel mensen denken nog steeds dat ebooks iets is voor de jongere generatie. Dat is echt volledig bezijden de waarheid. Het zijn vooral ouderen die er gebruik van maken. Het zijn vooral de 50- en 60-jarige die ebooks lezen. En elk jaar verzuchtte ik bij de statistieken dan ook dat de gemiddelde leeftijd ook dit jaar weer met één jaar was gestegen. Want de groep 70-jarigen toont jaar na jaar een forse stijging. Dit ten koste van de 40-jarigen waar het aandeel juist afneemt. Het cohort ebooklezers schuift dus gewoon op qua leeftijd. Als je kijkt naar het gebruik over de afgelopen jaren ziet het gebruik naar leeftijd er zo uit als in onderstaande tabel.


Maar naast de stijging van de 70-jarigen is er dit jaar een tweede opvallende stijging te zien. Die zit bij de middelbare scholieren, de tieners. Ook die pakken dit jaar een paar procent winst. Ook kinderen die net kunnen lezen (0-9 jaar) vertonen een stijging. Net als volwassenen zijn ook  hier scholieren ten dele uitgeweken naar de Online Bibliotheek. 

Het overgrote deel wil dus gewoon op papier lezen

Alle bij elkaar zie je dus een forse stijging in het gebruik van ebooks door de crisis. Dat gebruik is voor de ebooks wellicht fors maar het dempt maar een fractie van de daling die de fysieke uitlening te zien geeft. Bij alle cijfers is echter geen rekening gehouden met de Vakantiebieb- en Thuisbieb-app. Deze cijfers zitten niet in de dataset. Maar in het persbericht van de KB van januari staat dat deze app in totaal nog 857.000 geleende ebooks leverde. Zelfs als je die erbij optelt, blijven ebooks dus maar voor een beperkt deel van de lezers een aantrekkelijk alternatief. Zelfs in deze tijden van crisis, en zelfs als je de later toegevoegde correctie meeneemt. De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat een groot deel van de lezers gewoon van papier wil blijven lezen.

Groei leidt tot knellende exploitatie

Mooi die groei maar de KB geeft in een bericht van 16 maart wel aan dat die groei ook geld kost. Men heeft daarom besloten om in 2021 daarom geen Vakantiebieb open te stellen. Ondanks de forse miljoen die in 2015 aan het gemeentefonds werden onttrokken, piept en kraakt het dus nu. In het KWINK-rapport bij de evaluatie van de bibliotheekwet wordt gemeld dat het hier gaat om € 12,3 miljoen (over 2018) per jaar. Het wordt met deze cijfers interessant om eens financiële vergelijking te gaan maken tussen fysiek en digitaal uitlenen. In 2019 gaven openbare bibliotheken volgens het CBS € 54,8 miljoen uit aan mediakosten. Dit kun je afzetten tegen de ruim 60 miljoen uitleningen van dat jaar. Dan kom je onder de € 1,- per uitlening uit aan mediakosten. In deze mediakosten zitten naast de aanschafkosten ook de kosten voor leenrecht en kosten voor bijvoorbeeld tijdschriftabonnementen. 

Als je kijkt naar de Online Bibliotheek moet je naast de 5,6 miljoen ebooks, ook de 2,6 miljoen luisterboeken en 857.000 ebooks van Vakantiebieb en Thuisbieb meetellen. Alles bij elkaar net iets meer dan 9 miljoen uitleningen. Als je dat deelt door die € 12,3 miljoen dan zit je boven € 1,- per uitlening. Daar moet bij vermeld worden dat in dit budget niet alleen kosten voor ebooks en luisterboeken zitten maar ook inkoop van pakketten als Digisterker en Oefenen.nl. Voor de KB toch interessant om dat rekensommetje eens te maken in de onderhandeling met uitgevers. 

Maar niet alleen de KB heeft een rekensommetje te maken. Voor openbare bibliotheken zal de puzzel zijn hoe bij een heropening van alle bibliotheken die 20 miljoen verloren gegane uitleningen weer teruggewonnen kunnen worden. Komt dat automatisch weer goed of zijn we versneld naar een lager niveau gegaan? En zo ja, wat betekent dat dan voor de exploitatie van fysieke collecties. De puzzel van de KB en de lokale bibliotheken ligt naast elkaar. Het is interessant om die in onderling verband te bekijken.

Samengevat

Nou, u bent weer bij met de trends van ebooks in de openbare bibliotheken. Een forse groei van ruim 40%. Die groei compenseerde 10% van de gemiste uitleningen bij fysieke bibliotheken. Wel zien we voor het eerst een gestegen gebruik onder jongeren en lijkt de groei te nopen tot het nadenken over exploitatie op langere termijn. Zowel voor de digitale als voor de fysieke collectie.  

dinsdag 16 maart 2021

Statistieken over de achterkant van de Bibliotheek op school



In een eerder blog meldde ik al dat ik maar eens was begonnen aan de dataset over de samenwerking tussen bibliotheken en het basisonderwijs. Toen presenteerde ik de eerste overzichten die ik daaruit kon halen. Ondertussen heb ik er nog eens beter naar kunnen kijken en ga ik in op de collectie, formatie en de prijs.

Collectie

Hoewel de Bibliotheek op school niet draait om het bezit van boeken maar om het gebruik ervan middels programma's is een gegeven dat vaak vergeleken wordt toch het aantal boeken per leerling in de schoolbibliotheek. Het gemiddelde ligt op 6,6 boek per leerling maar de meest voorkomende score is 5 boeken per leerling. Aan de hoogste waarde van 24 boeken per leerling - dat moet een leeswalhalla zijn - zie je dat een paar hoge waardes het gemiddelde omhoog stuwen. De laagste waarde is 2 boeken per leerling. 

Overigens heeft niet elke school die samenwerkt voor de Bibliotheek op school  een collectie met boeken. 

In ruim 20% van de schoolbibliotheken is de collectie het eigendom van de openbare bibliotheek en in 35% van de gevallen is de collectie eigendom van de school. In een kwart van de gevallen is een deel van de school en een deel van de bibliotheek. Dit kan een soort wisselcollectie zijn maar het ook het uitfaseren van de oude schoolcollectie zijn. In 6,7% van de gevallen is er geen collectie. Dat is niet zo heel veel. 

Maar let op: het gaat hier om alle scholen, niet alleen de scholen die met Bibliotheek op school werken. Heel veel scholen hebben dus wel degelijk een schoolbibliotheek die buiten de verantwoordelijkheid valt van de openbare bibliotheek. Aan de ene kant denk je dat samenwerken dan wel makkelijk zal zijn omdat de collectie er al is maar het kan ook tegelijkertijd het argument zijn om niet samen te werken. Want de collectie is er al. En natuurlijk gaat het bij de samenwerking om veel meer dan alleen collectie maar het wel een lekker tastbare bouwsteen.

Mijn eye-opener was in ieder geval dat er al veel meer schoolbibliotheken zijn dan je denkt... 

Prijs

In de dataset wordt wel iets gemeten over de prijs die wordt gevraagd voor de samenwerking voor de Bibliotheek op school.  Maar het is complex omdat de prijsstelling door bibliotheken verschillend berekend wordt. Zo zijn er bibliotheken die afrekenen per dienst, een soort cafetariamodel, er zijn bibliotheken die factureren per schoollocatie en het overgrote deel factureert een prijs per leerling. En overigens: er zijn ook mengvormen, een deel per leerling en een deel per dienst bijvoorbeeld. Het is al net zo'n bonte lijst als met gewone bibliotheekabonnementen.

Maar als je de bibliotheken die een prijs per leerling reken - en dat zijn er 43 - op een rijtje zet, zie je het volgende grafiekje ontstaan.


De meest voorkomende prijs is € 10,- per leerling. Dat is volgens mij ook wel altijd de geadviseerde prijs geweest. Maar blijkbaar wordt die niet geïndexeerd want dat is al een paar jaar zo. De hoogste waarde ligt daar met € 12,- per leerling niet ver vanaf.  Als je al bijna 10 jaar de Bibliotheek op school uitvoert en elk jaar zou hebben geïndexeerd, kom je wel ongeveer op dat bedrag.

Er zijn een paar bibliotheken met een extreem lage prijs met als bodem € 1,- per leerling. Dat lijkt me een symbolisch bedrag of er is sprake van een zeer beperkte dienstverlening, dat kan natuurlijk ook. Die lage waarde waardes trekken het gemiddeld wat naar beneden maar de eigenlijk blijkt de standaardprijs inderdaad nog steeds € 10,- per leerling.

Personele inzet en opleiding

In de dataset wordt ook een overzicht gegeven van de formatie die wordt ingezet voor de samenwerking met het basisonderwijs. Niet alle bibliotheken hebben dat ingevuld maar ik heb een extrapolatie op basis van de bibliotheken die het wel invulden. Dan komen we uit op 433 arbeidsjaren in heel Nederland. Als je dat afzet tegen alle formatieplaatsen in het bibliotheekwerk - dat zijn er ruim 4.200 - dan zie je dat ruim 10% van onze formatie nu naar deze samenwerking gaat. Dit gaat dus alleen om basisonderwijs; de teams educatie zijn vaak groter en worden ook ingezet voor vroeg- en voorschoolse activiteiten, kinderopvang, voortgezet onderwijs en soms zelfs MBO of HBO. 

Overigens: in het hele primair onderwijs waren in 2019 127.000 fulltime formatieplaatsen ingezet. Dit ter relativering van onze grote inzet. Wie een echt leesoffensief wil starten moet eigenlijk de formatie-inzet een aantal keer zien te vergroten. Ik zou zeggen: laten we er bij een volgende regering 1.000 formatieplaatsen bijvragen. 


Tot slot nog de opleiding van de collega's die al dat goede werk doen. Tweederde is HBO-opgeleid, een kwart is MBO-opgeleid en een kleine 8% heeft een universitaire graad. Het is alles bij elkaar een leesbevorderingsleger dat het niet ontbreekt aan opleiding en die een goede ondersteuner kan zijn van het basisonderwijs. 

En verder?

Tja, en verder? Wat kunnen we nog meer uit deze dataset halen. Er worden veel vragen gesteld die niet met cijfers worden beantwoord: is er een leesplan, wat zijn succesfactoren, welk bibliotheeksysteem wordt er gebruikt. Allemaal input- of throughputmetingen.  En het valt me op dat een belangrijke vraag: 'Gaan kinderen meer lezen?' niet gelijk wordt beantwoordt. Het is eigenlijk gek dat we in deze sector niet een goed beeld hebben van de gelezen boeken in zowel jeugdbibliotheek als schoolbibliotheken en de effecten daarvan.  

Dat we niet alle uitleningen weten heeft deels natuurlijk ook te maken met het feit dat lang niet alle uitleningen in schoolbibliotheken onder verantwoordelijkheid vallen van de openbare bibliotheek. Maar dan nog: waar is het staatje van de bibliotheken waar dat wel zo is? Als we gelezen boeken zien als bouwstenen voor kinderen die beter worden in taal, is dat eigenlijk wel een essentieel gegeven om door de tijd bij te houden. In de algemene dataset over openbare bibliotheken ben ik dat wel tegen gekomen maar ik weet niet zeker of dat hier helemaal op aansluit. Lijkt me nog een aardige om toe te voegen.

Was leuk om weer eens op een rijtje te zetten. En wat verzetten we toch een hoop werk met elkaar! Klasse!

zondag 14 maart 2021

De N344 is mijn levensweg

Het hardlooprondje wat ik het meeste loop, kent een stuk langs de provinciale weg. De N344, de weg tussen Deventer en Holten. Ik loop er al jaren. Zo ook afgelopen week. En terwijl ik aan het rennen was bedacht ik me dat ik al duizenden kilometers op dit stukje weg heb afgelegd. De komende week word ik 50 en ik hoop op dit stukje nog vele kilometers te maken. Deze weg is een stukje van mezelf geworden. 

En terwijl ik aan het rennen was en mijn gedachten zo liet gaan, zag ik voor me in de berm iets groots en bruins. Even dacht ik dat het een grote hond was. Zat die hond daar nu alleen? En moest ik wat voorzichtiger gaan lopen? Het was geen hond. Het was een donkere man met en donkere jas die in de berm zat. Hij zat schuin en keek wazig uit zijn ogen. Dit was niet goed. Ik stopte. 'Hallo, gaat alles goed?' Geen reactie. 'Hello, everything ok?' Geen reactie. De hardloper die achter me rende, haalt me in en rent door. 

De man kijkt me aan maar geeft verder geen reactie. Ik vraag of hij gevallen is. Geen reactie. Langzaam valt hij om en gaat in het natte gras liggen. Hij verstart en even ben ik bang dat deze man mij voor mijn ogen door de vingers glipt en gaat overlijden. Er stopt gelukkig een auto. De meneer heeft een telefoon en belt 112. Een tweede auto stopt met een verpleegkundige. Die neemt de man van mij over en legt hem in een stabiele zijligging. Nog geen tien minuten later is de ambulance er. Mijn gegevens worden genoteerd voor als er nog wat mocht zijn en ik maak mijn hardlooprondje af. 

Terwijl ik verder loop bedenk ik me wat ik allemaal nog meer heb meegemaakt in die jaren dat ik langs dit stukje weg loop. Het is opvallend veel. 

Zo was er die keer (2) op een vroege zondagochtend dat ik een vluchteling tegen kwam. Hij vroeg me de weg naar Ter Apel (waar een aanmeldcentrum is voor vluchtelingen). Hij liep daar gewoon. Ter Apel was nog 150 kilometer verderop. Ik heb hem maar naar het station gewezen. 

In de zomer ga ik graag zo vroeg mogelijk rennen. Om zes uur of half zeven in de ochtend als het licht wordt. Tijdens zo'n rondje kwam ik eens (3) een das tegen.  Het was echt net buiten de bebouwde kom! Ik dacht eerst nog, wat zie ik toch? Het is een beest dat een beetje onbeholpen loopt alsof het dronken is.

Of die keer dat ik (4) een oude dame tegenkwam met een rollator ook vroeg in de ochtend. Ze bleek dement en 'ontsnapt' uit het verzorgingshuis een kilometer verderop. Ze werd weer netjes opgehaald door het huis en ik kon mijn rondje afmaken.

Dat rondje werd ook onderbroken toen ik een keer in de middag liep. Het was in de zomer en het was heet. Twee auto's die uit verschillende rijrichtingen kwamen, probeerden tegelijkertijd dezelfde weg in te rijden. Eén van de auto's reed veel te hard en duwde de andere auto volledig van de weg af. Vel herrie en blikschade. Ik stopte mijn hardlooprondje om te controleren of iedereen nog heel was. Wonderbaarlijk genoeg stapte iedereen zonder problemen uit. En ik mocht mijn gegevens weer achterlaten als getuige voor de verzekeringspartijen. 

Op de plek waar ik afgelopen week de duizelige man vond, ben ik ook al eens aangevallen door (6) een buizerd. Die bewaakte zijn territorium in het broedseizoen. Doodeng overigens want hij scheerde verschillende malen over me heen. In het broedseizoen mijd ik dit plekje dus maar. 

En  gebeuren regelmatig ongelukken op deze weg. Zelf reed ik (7) net buiten mijn hardlooprondje ooit mijn Fiat total loss omdat iemand zonder te kijken overstak. Inmiddels ook al tien jaar geleden. Het had niet veel gescheeld of ik had  hier nooit meer gerend.

Terwijl ik zo mijn hardlooprondje afmaak, zie ik wat ik in al die jaren al heb meegemaakt en hoe die weg een beeld is geworden van mijn eigen leven. Een beeld van vele mooie kilometers en van vele mooie opgedane ideeën. Maar ook van lastige kilometers waar het tegen zat. En net het echte leven: plotseling gebeurt er iets raars voor je op de weg.

Hardlopen is een noodzaak voor mij. Het geeft me rust in mijn hoofd en het laat me mijn lichaam voelen. Ik loop niet voor een tijd, ik loop om te zijn. Die paar kilometer provinciale weg weerspiegelt mijn leven. Ik liep er met een glimlach als het mee zat en ik gelukkig was en ik vocht er tegen mijn tranen als het tegen zat. Op weg naar de 50 met fantastische herinneringen maar ook met butsen en schrammen. De N344 is mijn levensweg.

Ik ren dus ik ben.

woensdag 10 maart 2021

Waar doen bijna alle scholen al mee aan Bibliotheek op school? En welk schoolbibliotheeksysteem gebruiken ze?


 Dit is mijn 1.317e artikel op dit weblog. En dit is het eerste artikel dat een echte rectificatie is op een eerder artikel. Bovenstaande plaatje heb ik eerder getoond op 9 februari maar het toen geplaatste overzicht bleek onjuiste gegevens te bevatten. Het databestand dat ik gebruikte kende een rijtje van acht kolommen met een 'totaal aantal scholen'. Achter dat totaal aantal scholen stond dat nog een klein detail. Een niet onbelangrijk detail. Ik klikte inderdaad de verkeerde kolom aan. Een zeer attente collega van Stadkamer attendeerde mij erop. In de herhaling dus en nu correct. Ik neem aan dat u mij dat vergeeft na meer dan 1.300 artikelen maar toch mijn oprechte excuses. U hebt recht op juiste feiten.

Er is in het afgelopen jaar een mooie dataset  erbij gekomen over bibliotheken, namelijk die over de samenwerking met het basisonderwijs. Omdat ik in de afgelopen tijd vooral druk was met de Best Presterende Bibliotheek had, had ik er nog niet naar gekeken. Maar onlangs heb ik er toch een eerste blik op kunnen werpen. 

De dataset levert per bibliotheek de gegevens die eerder ook al via rapportages aan bibliotheken werden gestuurd. Alleen was er nog nooit een overzicht van alle afzonderlijke bibliotheken. Die zit nu dus ook openbaar in deze dataset. En daar kun je toch nog wel een aardig aantal zaken uithalen. Bijvoorbeeld met hoeveel procent van de scholen elke bibliotheek al werkt aan het concept van Bibliotheek op school. 

Drie van de 142 bibliotheekstichtingen hebben met alle basisscholen afspraken over de Bibliotheek op school en nog eens acht bibliotheken scoren een percentage dat hoger ligt dan 85%Daaronder veel 'usual suspects' als Venlo, Schiedam, Den Bosch en Eindhoven. Bibliotheken die al lang inzetten op dit concept.

Ze scoren ook fors hoger dan het landelijk gemiddelde. Daar ligt de samenwerking op 39% van alle basisscholen. 23 bibliotheekstichtingen geven aan met nog geen enkele school iets met Bibliotheek op school te doen. Dat zijn overigens geen bibliotheken die niets doen met het onderwijs. Ik vermoed dat hier andere concepten gevolgd worden of men kiest bewust voor het laten komen van schoolkinderen naar de bibliotheek. Hoewel het concept van Bibliotheek op school ook daar wel ruimte voor biedt. 

Schoolbibliotheeksystemen

Er wordt ook gevraagd naar de schoolbibliotheeksystemen die gebruikt worden door de scholen. Dat leverde bijgaande beeld op. Marktleider is Schoolwise van OCLC/HKA dat op 1576 scholen wordt gebruikt (ongeveer 25% van alle scholen). Op 535 scholen wordt V@School van Infor gebruikt. Op sommige scholen wordt naast de schoolvariantnen van OCLC/HKA en Infor soms ook nog het 'gewone bibliotheeksysteem' gebruikt. Voor Wise gebeurt dit nog op 117 scholen en bij Infor met Vubis nog met 85 scholen. Aura is met 190 sholen eigenlijk de enige grote concurrent voor de gevestigde bibliotheeksystemen. Het wordt op bijna 200 scholen gebruikt.

Eigenlijk is het wel treurig om te zien dat dus ook op de schoolbibliotheken al weer een ratjetoe aan systemen wordt gebruikt en dat het eigenlijk gewoon bibliotheekland in het klein is. Allemaal met goede bedoelingen natuurlijk maar iedereen mag zijn eigen innovatie regelen. 

Toch is Schoolwise niet de meest gebruikte methode om uit te lenen. Dat zie je in het volgende overzicht. 


Het meest gebruikte systeem is 'geen systeem'. Op 1716 van de schoolbibliotheken die werken met de Bibliotheek op school wordt helemaal geen systeem gebruikt. Dat kan zijn omdat er niet echt uitgeleend wordt of het wordt gewoon niet bijgehouden. En als boeken niet mee naar huis gaan - wat op best veel basisscholen beleid is - is dat natuurlijk best een optie. Ik kan er om lachen: het beste systeem is geen systeem...  En laten we wel zijn: het gaat niet om de systemen, het gaat om kinderen die met plezier veel lezen. 

Nou, tot zover een eerste vingeroefening met dit databestand. En dus ook gelijk met een rectificatie. In een volgende blog zal ik nog wat meer gegevens geven uit deze set.

dinsdag 2 maart 2021

De 15.000 studie- en werkplekken van de openbare bibliotheken

Er is in Nederland een organisatie die ruim 15.000 studie- en werkplekken heeft. Het is een plek waar iedereen - behoudens coronamaatregelen - altijd naar binnen mag lopen, waar geen entree wordt gevraagd en waar je niet tot consumptie verplicht bent. Een plek die altijd dichtbij is of je nu in Limburg, Friesland of Utrecht woont. Die plek heet de Openbare Bibliotheek.

Bijgaande cijfers komen uit de Bibliotheekatlas, een handige bron voor iedereen die wat meer wil weten over bibliotheekvestigingen, openingsuren en vernieuwde bibliotheeklocaties. Een handige site om eens te bekijken. En het bevat dus ook aantal studie- en werkplekken. Die heb ik maar eens bij elkaar gezet. Elke dag staan er dus 15.000 studieplekken voor Nederland klaar. Ik vind het een mooi aantal. En ik vermoed dat dit aantal nog gaat groeien. Dus wellicht interessant om eens een paar jaar te gaan volgen.

2.600 Oefen-pc's

Naast het aantal studie- en werkplekken vermeld het ook het aantal oefen-pc's. Terwijl de meeste studie- en werkplekken in Zuid-Holland zitten, zijn de meeste oefen-PC's aanwezig in Gelderland. Ik heb daar niet gelijk een verklaring voor. 

Wat het voor mij wel mooi weergeeft, is dat de Nederlandse openbare bibliotheken met elkaar een prachtig dekkend netwerk hebben met faciliteiten om je een leven lang te ontwikkelen: studie- en werkplekken, oefen-pc's, boeken en databanken, vriendelijke medewerkers en ook steeds vaker goede koffie. 

Als ik soort plaatje maak, denk ik vaak dat we van een veel grotere waarde zijn, dan we zelf door hebben.

zondag 21 februari 2021

Er is iets moois mogelijk voor Nederland en het heet de bibliotheek.

De meest gestelde vraag aan mij als lijstjesman gaat altijd over geld. Ik schrijf er niet vaak over. Schrijven over geld lijkt altijd gevaarlijk. Maar meerdere keren per week krijg ik de vraag of ik in beeld kan brengen hoe een bepaalde bibliotheek scoort op de subsidieladder. Die cijfers zijn inderdaad te halen uit de openbare dataset van de Koninklijke Bibliotheek. Hierboven tref je de cijfers aan van het gemiddelde subsidiebedrag per inwoner over 2019, de meest recente cijfers. Daarnaast heb ik ook het laagste en het hoogste subsidiebedrag geplaatst zodat je de bandbreedte ziet waar het zich tussen bevindt.

Nu zijn er minstens drie manieren om subsidies met elkaar te vergelijken. De meest gebruikte is de onderste uit dit overzicht. Het gaat dan om de totale gemeentelijk subsidie en die deel je door het inwonertal van het werkgebied. Gemiddeld kom je dan uit op € 24,19 in Nederland. De laagste financiering is dan € 11,72 per inwoner en de hoogste € 43,50. 

De middelste in dit overzicht gaat alleen over de structurele subsidie, ook wel de exploitatiesubsidie genoemd. Veel bibliotheken krijgen nog incidentele middelen voor projecten, taalhuizen of projecten voor het onderwijs en die gaat hier nog vanaf. 

De bovenste is de exploitatiesubsidie met aftrek van de huisvestingskosten. Ook dat bedrag wordt  vaak gebruikt omdat de huisvestingskosten soms versluierend kunnen werken. Soms wordt er tegen een laag bedrag gehuurd van de gemeente of juist tegen een hoog bedrag dat weer gecompenseerd wordt. 

In de regel kun je stellen dat stedelijke gebieden gemiddeld een iets hogere financiering kennen dan plattelandsgebieden. Dat is historisch deels te verklaren omdat provincies vroeger een groter deel van de exploitatie van plattelandsbibliotheken op zich namen en plattelandsbibliotheken later professionaliseerden dan stadsbibliotheken. En deels is het te verklaren naar de aard en omvang van de begroting van kleinere gemeenten.

In het verleden heb ik ook wel eens onderzoek gedaan naar de correlatie tussen prestaties en subsidie. Bibliotheken met meer subsidie lijken inderdaad beter te scoren. Toegegeven, de correlatie was dun. En dat had naar mijn mening met name te maken met het ontbreken van een brede set aan vergelijkbare prestatiegegevens. 

Tegelijkertijd zie ik bibliotheken met beperkte middelen hele creatieve oplossingen verzinnen en zie ik bibliotheken met meer middelen juist hele goede investeringen doen en dienstverlening professioneler borgen. Maar hoe je het ook wendt of keert: met meer subsidie kan er ook gewoon meer.

Hoe bibliotheken meer gingen doen en minder kregen


En dat bibliotheken meer zijn gaan doen in de afgelopen jaren daar twijfelen alleen raadsleden aan die de afgelopen jaren echt onder een steen hebben geleefd. Er zijn duizenden schoolbibliotheken met leesprogramma's en leesconsulenten gestart, overal zijn taalhuizen opgericht, er kwamen spreekuren voor de Belastingdienst en we ontwikkelen nu Informatiepunten voor de Digitale Overheid. En dan hebben we het nog niet over allerlei 3D-labs of een breed aanbod aan cursussen.

En kwamen er meer middelen? Als u in deze sector werkt, weet u het antwoord: Nee. De gemiddelde subsidie per inwoner ging in de afgelopen tien jaar van 27 naar 24 euro. Zo'n 14% eraf. Als u denkt: waarom heb ik het zo druk in mijn bibliotheekbaan, dan vindt u hier een belangrijk deel van het antwoord. 

Overigens, wie snel de cijfers vergelijkt van 2019 is deze tabel en de bovenstaande ontdekt kleine verschillen. Daar is een logische verklaring voor. De twee datasets hanteren verschillende inwonertallen. De dataset van de KB gaat uit van het totaal van werkgebieden van openbare bibliotheken. Een aantal gemeenten heeft geen openbare bibliotheek en daardoor valt het inwonertal iets lager uit. In de tweede grafiek is uitgegaan van het totaal aan inwoners van Nederland. Ook kent het CBS-overzicht voor bibliotheken geen uitsplitsing tussen structurele en incidentele subsidie en wordt daar alleen het totaal aan subsidies weergegeven. 

Het is echter nog iets erger dan u denkt


Dat u in tien jaar zo'n 14% minder subsidie kreeg, is niet het enige. Ondertussen gingen de prijzen wel omhoog. In de periode tussen 2010 en 2019 met zo'n 16%. In totaal kregen bibliotheken dus effectief zo'n 30% minder te besteden.  

Is dat erg? Het politieke antwoord is: Ja en nee. Nee, omdat we in de afgelopen tien jaar een ongelofelijke slag hebben gemaakt in de vernieuwing van het bibliotheekwerk. De maatschappelijk-educatieve bibliotheek als concept heeft nieuwe energie losgemaakt en de bibliotheek gepositioneerd als lokaal platform voor een leven lang ontwikkelen. De bibliotheek is gekanteld van een instituut naar een netwerkorganisatie die met alles en iedereen samenwerkt. Hartstikke mooi. Maar er is ook een Nee. Ik heb me de afgelopen tien jaar de vingers blauw geschreven aan bezuinigingsplannen en tegelijkertijd geprobeerd creatieve oplossingen te verzinnen om die brede bibliotheek gestalte te geven. Vaak lukte dat maar het waren ook vaak compromissen. 

Nu ik gemeenten al angstig naar de financiële toekomst zie kijken, weet ik straks eigenlijk niet goed waar u nog méér moet bezuinigen. En mensen die mij kennen weten dat ik geen zwartkijker of pessimist ben. Als de optimist zegt dat het slecht weer wordt, stormt het buiten waarschijnlijk al.

Kansen
Toch blijf ik een optimist. Ik zie namelijk in rap tempo kansen op het bibliotheekwerk af komen. Er moet een Corona bijspijkerplan komen voor 8,5 miljard voor het onderwijs. Ik denk dan: nu door naar op elke school een schoolbibliotheek met professionele leesconsulenten. Als ik bibliotheekdirecteur was, belde ik nú alle basisscholen op. Middelbare scholieren snakken er naar dat bibliotheken weer open gaan en weer daar kunnen studeren. Afspraken dus over meer en betere studieplekken. Verder heeft de crisis heeft aangetoond dat velen niet vaardig genoeg zijn in de digitale wereld. Wie gaat deze burgers helpen? 

Kortom: er wachten bergen werk op ons! Kansen te over. 

Verkiezingsprogramma's
Dat treft want ook landelijk lijken partijen met verkiezingen in aantocht over elkaar heen te buitelen. D66 zegt 400 miljoen te willen investeren in cultuur waarvan 80 miljoen voor bibliotheken. U hoor het goed, 80 miljoen - structureel. Dat is bijna 5 euro per inwoner als dat netjes wordt verdeeld over het gemeentefonds. Dit is overigens in lijn met wat minister Van Engelshoven zelf zei in het afrondende overleg rond de evaluatie van de bibliotheekwet in september vorig jaar. Maar ook het CDA, Groen Links, Christenunie, en PvdA noemen bibliotheken in het verkiezingsprogramma.

Als je die programma's naast elkaar legt is er breed draagvlak voor: een bibliotheek in elke gemeente, een leesoffensief met schoolbibliotheken en een verbrede rol voor het taalhuis en en informatiepunt Digitale Overheid. En laten dat nou ook de speerpunten zijn van wat al is vastgelegd in en landelijk bibliotheekconvenant. Met een extra impuls kan het Rijk hier inderdaad een geweldige impuls aan geven. Noot voor het ministerie: wel natuurlijk even afdwingen bij gemeenten dat als ze extra geld krijgen voor bibliotheken dat ze de komende vijf jaar niet mogen bezuinigen op de lokale bijdrage voor bibliotheekwerk. 

Bibliotheken hebben 30% minder inderdaad. Maar wel ondertussen de hele winkel verbouwd naar een maatschappelijk-educatieve bibliotheek. En de politiek geeft ons wind-mee. 

Er is iets moois mogelijk voor Nederland en het heet de bibliotheek!