Het is inmiddels vijf maanden geleden dat mijn moeder overleed.
Het verzorgingshuis waar mijn moeder verbleef, organiseert een herdenking voor
de mensen die in de afgelopen tijd stierven. Ik besluit te gaan. Het wordt een wonderlijke
reis. Want sinds de dood van mijn moeder ben ik eigenlijk niet meer in het dorp
geweest. Er was geen reden meer.
Het is een warme zomeravond wanneer ik ernaartoe rijd. Het
verrast me hoe ver het eigenlijk is. En tegelijk hoe vertrouwd die weg nog
voelt — hoe vaak ik hem heb gereden. En met elke kilometer keert iets van mijn oude
zorg terug. Dat stille gevoel van spanning dat ik altijd had als ik naar haar
toe ging. De zorg om hoe ik haar aantrof. En bij elk bezoek was er weer iets verdwenen. Eerst nauwelijks merkbaar,
later steeds zichtbaarder. Als een vlam die eerst iets minder fel werd en toen
plotseling doofde.
De herdenking vindt plaats in de grote koffiekamer. Oranje slingers en ballonnen voor het WK. In kleine groepjes zitten mensen, elk met hun eigen verlies, hun eigen verhaal. Het is een mooie herdenking. Een zangeres zingt breekbare liedjes. Zonder dat ik het tegen kan houden, komen de tranen. Meer dan ik had verwacht. Het raakt iets diepers, iets dat zich de afgelopen maanden misschien stil heeft gehouden.
Voor ieder die is overleden ligt er een roos klaar. Nabestaanden mogen die één voor één in een vaas zetten. Maar bij veel namen blijft het stil, er is niemand. Dan neemt een medewerker de roos voorzichtig over en plaatst die alsnog.
Langzaam verdwijnen zo onze doden. Sommigen sneller dan anderen.
Na afloop blijf ik nog even. En dan rijd ik, bijna vanzelf, een rondje langs de huizen en dorpen waar mijn ouders hebben gewoond. Overal is het veranderd. Of misschien ben ik veranderd.
Later, in het dorp waar ik zelf opgroeide, blijf ik staan en
kijk ik naar de zon die langzaam ondergaat. Het licht wordt zachter, de kleuren
dieper. Het zicht wordt minder.
Ik zie hoe de sporen verdwijnen.
Eén voor één.
Geruisloos
de nacht in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten