vrijdag 8 september 2017

'Waar blijft de 3.000 die in kas zijn?' : De samenwerking van Overijsselse Bibliotheken 1918-1924, Deel 5




Vandaag het laatste deel over die illustere samenwerking in Overijssel tussen 1918 en 1924. Dit keer hoe de subsidie stopte en hoe op een zacht pitje de opmaat naar het vervolg kwam.  De Bond voor Openbare Leeszalen in Overijssel had in 1920 een subsidie gekregen voor drie jaar van de provincie Overijssel.We zagen in een vorig artikel dat men flink bouwde aan een netwerk van correspondentschappen maar ook dat men misgreep bij de landelijke subsidie in 1920.

In 1924 is er geen subsidie meer en lobbyen de Overijsselse bibliotheken voor een verlenging. Zonder resultaat zoals blijkt uit bovenstaande artikel in Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 12 mei 1924.

Het bijzonder aan het verslag van de vergadering,  dat je hierboven ziet, is wel dat de staten vooral vonden dat er geen grond was voor verdere subsidiëring omdat het rijk ook niet subsidieerde.

Heringa, de penningmeester-secretaris van de Bond en directeur van Bibliotheek Enschede informeerde nog wel bij de Centrale Vereniging of er toch geen kans was op rijkssubsidie. In Friesland was de provincie namelijk gestopt met subsidiëren en Heringa hoopte dat hij gebruik zou kunnen maken van de vrijgevallen Friese gelden.

H. E Greve, de secretaris van de Centrale Vereniging antwoordt met bijgaande brief.


De kans dat Overijssel de subsidie van Friesland krijgt is nul. En daarmee valt de deur voor de provinciale subsidie in het slot.  De Overijsselse bibliotheken moeten zich bezinnen op hoe verder.

Referendum van 1924
Ze moeten kiezen: gaan we verder maar zonder subsidie of laten we de correspondentschappen  vervallen? Heel modern organiseert de bond een referendum onder de leeszalen.

Het bestuur van de Bond bereid hiervoor een kort plan voor en stuurt dit in het najaar van 1924 rond en vraagt elk bestuur zich via de post uit te spreken.


Men stelde voor een strategie te volgen zonder subsidie door de contributies te verhogen van fl. 1,50 naar fl. 2,50. Als ik het goed begrijp moest men die fl. 2,50 ook weer afdragen aan de bond om daar de correspondenten en het transport weer mee te betalen. Uit de reserves werd dan nog een tijdje een vergoeding aan de bibliotheken gedaan.

De meeste besturen gaan akkoord met dit voorstel. De enige 'stevige' reactie komt van mejuffrouw Stoffel, de directeur in Deventer. Het archief zit vol met stekelige briefjes tussen Stoffel en Heringa. Maar deze spant wel de kroon.




Aan het eind van het eerste blaadjes schrijft ze:
'waar blijft de 3000 die in kas zijn? Zullen ze aan administratie uitgegeven worden! Vrouwen geven gewoonlijk wat weinig aan dergelijke dingen uit, maar deze som lijkt me toch wel wat erg hoog!' 
Mejuffrouw Stoffel betoogt eigenlijk dat ze net zo goed zelf correspondentschappen kan onderhouden zonder de bond en dat ze dan zelf de contributies kan houden. Het voorstel haalt het overigen gewoon en de bond gaat op een laag pitje verder.

Verder op een lager pitje

De verhoogde contributie en verminderde vergoeding voor de correspondent leidt tot een terugloop. Er vallen correspondentschappen af zoals hier  in Borne.



Het overzicht van 1928 laat dan ook het volgende zien.


Waar in 1923 nog negen correspondentschappen waren zijn er in 1928 nog zes. Het aantal leden en uitleningen liep terug. Het wegvallen van de provinciale subsidie had een stevig negatief effect. Toch valt het niet stil en zet de bond zijn werk - op een lager pitje weliswaar - voort.

In het archief komen daarna nog een paar documenten voor. Eind jaren '20 en eind jaren '30, begin jaren '40 is er weer wat correspondentie of toch niet getracht moet worden om opnieuw te proberen provinciale subsidie te verwerven.

In 1941 stuurt Molhuysen, inspecteur van de Centrale Vereniging en directeur van de Koninklijke Bibliotheek bijgaande kattebelletje.



Hoewel op dit scherm wellicht niet heel goed leesbaar geeft hij aan dat er wellicht wat zicht is op provinciale middelen en dat het goed is als de provinciale bonden dan weer paraat zijn. Blijkbaar waren de besturen dus niet helemaal meer op sterkte aangezien hij aanraad om weer een voorzitter te zoeken en daarvoor de heer Tulp uit Deventer aanbeveelt. Het archief kent vervolgens de correspondentie met de heer Tulp en hij aanvaardt, zij het tijdelijk, het voorzitterschap.

Vereniging voor reizende bibliotheken
Eind jaren '30 en begin jaren '40 hebben bibliotheken geen middelen meer om zelf nog nieuwe zaken op te zetten. In het archief zitten dan ook veel briefjes van de Vereniging voor de reizende bibliotheek. Dat was een landelijke vereniging (die wel subsidie kreeg) en die op aanvraag boekenkisten kon toesturen.


Deze vereniging stuurde dus altijd een keurig briefje of het goed was dat men dit leverde in het werkgebied van de bond. De bond verleende altijd toestemming. Dat zorgde vervolgens voor een briefje waarin de vereniging voor reizende bibliotheken maar voorstelde om voortaan.

Van BOLO naar VOBO naar DOBO
Ook uit de begin jaren '40 zien we nog allerlei overzichten waar de bibliotheken uitleencijfers en boekenbezit met elkaar vergeleken. Men was geïnteresseerd in elkaars werk en probeerde waar mogelijk zaken uit te wisselen.



Kenmerkend is dan ook dat vlak na de oorlog gelijk weer de draad wordt opgepakt en men op werkbezoek gaat in Deventer, zoals uit bovenstaande brief blijkt. Een brief met prachtige details over wie welke trein moet nemen en wie mag blijven slapen bij mejuffrouw Timmenga, de directeur van de bibliotheek in Deventer en de opvolger van mejuffrouw Stoffel.

Vlak na de oorlog was Overijssel de eerste provincie die in 1948 begon met een provinciale bibliotheekcentrale en daar provinciale subsidie voor gaf. Waar men in 1920 net te laat was, was men in 1948 de eerste in Nederland. Over dat werk en het pionierswerk van Van Uxem en Goudzwaard schreef Marijke Borghgraef  in 2010 een uitstekende en lezenswaardige scriptie.

En de bond? De bond bleef bestaan! De BOLO ging over in de VOBO (Vereniging van Openbare Bibliotheken in Overijssel). De VOBO werd opgeheven in maart 1987en men besloot door te gaan als een informeel DOBO (Directie-overleg) Openbare Bibliotheken in Overijssel. Dit DOBO overlegt nog ongeveer elke maand, hebben een eigen programma voor vernieuwing van het bibliotheekwerk en werken nog steeds samen met de Vereniging van Openbare Bibliotheken (de voortzetting van de Centrale Vereniging). What's new?



P.M. Heringa
Een laatste woord is misschien nog op zijn plek voor P.M. Heringa, de directeur van de Bibliotheek in Enschede die vanaf de oprichting van in 1920 zeker tot begin jaren '40 veel werk heeft verzet als de vaste secretaris-penningmeester.Op de foto - die gemaakt is bij de opening van het Blijdesteinhuis in Enschede - is het man met het lichte jasje.

In Enschede opende onder zijn leiding in 1938 de muziekbibliotheek (volgens eigen opgave de derde in het land). Onbekende schenkers gaven fl. 10.000,- met als opmerking dat nooit naar ras of politieke overtuiging van de componist mocht worden gekeken. Een bijzonder statement in die tijd.

Heringa lijkt met zijn combinatie aan activiteiten  een beetje op zijn evenknie bij de Centrale Vereniging H.E. Greve die ongeveer over de hele zelfde periode actief is geweest. Verder is er ook  een P.M Heringa als bestuurslid betrokken bij de oprichting van de Almelose leeszaal in 1918. Maar ik vermoed echter dat hij dat niet zelf maar misschien wel zijn vader is zijn geweest.

Bijna een eeuw samenwerking
In den lande roemt men vaak de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken. Men bedoelt daarbij vooral de samenwerking van de afgelopen decennia en hoe men in gezamenlijk de vernieuwing van de bibliotheek vormgaf. Met succes. Wie echter verder terug kijkt ziet dat die samenwerking dus al bijna een eeuw oud en begon in oktober 1918 toen het Zwolse bibliotheekbestuur ander bibliotheken uitnodigde om maar eens te praten over samenwerking. Een samenwerking die tot op heden zijn vruchten afwerpt.

Dit artikel maakt onderdeel uit van een vijfdelige reeks over de geschiedenis van de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. 

De vijf delen zijn:
Deel 1: Hoe het begon in 1918
Deel 2: De rijkssubsidievoorwaarden 1921
Deel 3: Hoe de bond startte in 1920
Deel 4: De correspondentschappen 1920-1924
Deel 5: Verder zonder subsidie

2 opmerkingen:

  1. Beste Mark,

    een kleine aanvulling op jouw stukje over de bibliotheek Enschede.
    De Enschedese bibliotheek is ontstaan dankzij schenkingen van 'textielbaronnen'.
    In 1919 schonken mevr. Blijdenstein- van Heek en het echtpaar Ter Kuile - van Heek, samen
    FL 100.000,- bovendien schonk mevrouw Blijdenstein haar villa in de binnenstad ten behoeve van de bibliotheek. Deze villa is in februari 1944 door een vergissingsbombardement verloren gegaan. Deze villa werd vergeleken met het Haagse Mauritshuis !

    De muziekbibliotheek kon worden opgericht dankzij een schenking van de heer en mevrouw Menko.
    Dat verklaart de opmerking dat niet naar ras of politieke overtuiging van de componist mocht worden gekeken. De Menko's waren prominente leden van de joodse gemeenschap in Enschede.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. @Gerard: Dank voor je reactie. Die schenking ken ik maar daarvoor was er toch ook al een volksbibliotheek in Enschede? Dat van die muziekbibliotheek had ik uit oude kranten daar werd nog melding gemaakt van een anonieme gever maar dat was dus de familie Menko. Kijk, weer wat geleerd.

    BeantwoordenVerwijderen