dinsdag 12 september 2017

Waarom papier de toekomst heeft....


Hoewel mijn dochter van 18 deze vakantie het e-lezen heeft ontdekt - jawel, via de bibliotheek - lees ik zelf toch nog altijd het liefst van papier. Of dat zo blijft? Absolute antwoorden zijn altijd gevaarlijk. Maar sommige filmpjes kunnen je makkelijk overtuigen. Nee, papier blijft altijd. Kijk maar.

vrijdag 8 september 2017

'Waar blijft de 3.000 die in kas zijn?' : De samenwerking van Overijsselse Bibliotheken 1918-1924, Deel 5




Vandaag het laatste deel over die illustere samenwerking in Overijssel tussen 1918 en 1924. Dit keer hoe de subsidie stopte en hoe op een zacht pitje de opmaat naar het vervolg kwam.  De Bond voor Openbare Leeszalen in Overijssel had in 1920 een subsidie gekregen voor drie jaar van de provincie Overijssel.We zagen in een vorig artikel dat men flink bouwde aan een netwerk van correspondentschappen maar ook dat men misgreep bij de landelijke subsidie in 1920.

In 1924 is er geen subsidie meer en lobbyen de Overijsselse bibliotheken voor een verlenging. Zonder resultaat zoals blijkt uit bovenstaande artikel in Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 12 mei 1924.

Het bijzonder aan het verslag van de vergadering,  dat je hierboven ziet, is wel dat de staten vooral vonden dat er geen grond was voor verdere subsidiëring omdat het rijk ook niet subsidieerde.

Heringa, de penningmeester-secretaris van de Bond en directeur van Bibliotheek Enschede informeerde nog wel bij de Centrale Vereniging of er toch geen kans was op rijkssubsidie. In Friesland was de provincie namelijk gestopt met subsidiëren en Heringa hoopte dat hij gebruik zou kunnen maken van de vrijgevallen Friese gelden.

H. E Greve, de secretaris van de Centrale Vereniging antwoordt met bijgaande brief.


De kans dat Overijssel de subsidie van Friesland krijgt is nul. En daarmee valt de deur voor de provinciale subsidie in het slot.  De Overijsselse bibliotheken moeten zich bezinnen op hoe verder.

Referendum van 1924
Ze moeten kiezen: gaan we verder maar zonder subsidie of laten we de correspondentschappen  vervallen? Heel modern organiseert de bond een referendum onder de leeszalen.

Het bestuur van de Bond bereid hiervoor een kort plan voor en stuurt dit in het najaar van 1924 rond en vraagt elk bestuur zich via de post uit te spreken.


Men stelde voor een strategie te volgen zonder subsidie door de contributies te verhogen van fl. 1,50 naar fl. 2,50. Als ik het goed begrijp moest men die fl. 2,50 ook weer afdragen aan de bond om daar de correspondenten en het transport weer mee te betalen. Uit de reserves werd dan nog een tijdje een vergoeding aan de bibliotheken gedaan.

De meeste besturen gaan akkoord met dit voorstel. De enige 'stevige' reactie komt van mejuffrouw Stoffel, de directeur in Deventer. Het archief zit vol met stekelige briefjes tussen Stoffel en Heringa. Maar deze spant wel de kroon.




Aan het eind van het eerste blaadjes schrijft ze:
'waar blijft de 3000 die in kas zijn? Zullen ze aan administratie uitgegeven worden! Vrouwen geven gewoonlijk wat weinig aan dergelijke dingen uit, maar deze som lijkt me toch wel wat erg hoog!' 
Mejuffrouw Stoffel betoogt eigenlijk dat ze net zo goed zelf correspondentschappen kan onderhouden zonder de bond en dat ze dan zelf de contributies kan houden. Het voorstel haalt het overigen gewoon en de bond gaat op een laag pitje verder.

Verder op een lager pitje

De verhoogde contributie en verminderde vergoeding voor de correspondent leidt tot een terugloop. Er vallen correspondentschappen af zoals hier  in Borne.



Het overzicht van 1928 laat dan ook het volgende zien.


Waar in 1923 nog negen correspondentschappen waren zijn er in 1928 nog zes. Het aantal leden en uitleningen liep terug. Het wegvallen van de provinciale subsidie had een stevig negatief effect. Toch valt het niet stil en zet de bond zijn werk - op een lager pitje weliswaar - voort.

In het archief komen daarna nog een paar documenten voor. Eind jaren '20 en eind jaren '30, begin jaren '40 is er weer wat correspondentie of toch niet getracht moet worden om opnieuw te proberen provinciale subsidie te verwerven.

In 1941 stuurt Molhuysen, inspecteur van de Centrale Vereniging en directeur van de Koninklijke Bibliotheek bijgaande kattebelletje.



Hoewel op dit scherm wellicht niet heel goed leesbaar geeft hij aan dat er wellicht wat zicht is op provinciale middelen en dat het goed is als de provinciale bonden dan weer paraat zijn. Blijkbaar waren de besturen dus niet helemaal meer op sterkte aangezien hij aanraad om weer een voorzitter te zoeken en daarvoor de heer Tulp uit Deventer aanbeveelt. Het archief kent vervolgens de correspondentie met de heer Tulp en hij aanvaardt, zij het tijdelijk, het voorzitterschap.

Vereniging voor reizende bibliotheken
Eind jaren '30 en begin jaren '40 hebben bibliotheken geen middelen meer om zelf nog nieuwe zaken op te zetten. In het archief zitten dan ook veel briefjes van de Vereniging voor de reizende bibliotheek. Dat was een landelijke vereniging (die wel subsidie kreeg) en die op aanvraag boekenkisten kon toesturen.


Deze vereniging stuurde dus altijd een keurig briefje of het goed was dat men dit leverde in het werkgebied van de bond. De bond verleende altijd toestemming. Dat zorgde vervolgens voor een briefje waarin de vereniging voor reizende bibliotheken maar voorstelde om voortaan.

Van BOLO naar VOBO naar DOBO
Ook uit de begin jaren '40 zien we nog allerlei overzichten waar de bibliotheken uitleencijfers en boekenbezit met elkaar vergeleken. Men was geïnteresseerd in elkaars werk en probeerde waar mogelijk zaken uit te wisselen.



Kenmerkend is dan ook dat vlak na de oorlog gelijk weer de draad wordt opgepakt en men op werkbezoek gaat in Deventer, zoals uit bovenstaande brief blijkt. Een brief met prachtige details over wie welke trein moet nemen en wie mag blijven slapen bij mejuffrouw Timmenga, de directeur van de bibliotheek in Deventer en de opvolger van mejuffrouw Stoffel.

Vlak na de oorlog was Overijssel de eerste provincie die in 1948 begon met een provinciale bibliotheekcentrale en daar provinciale subsidie voor gaf. Waar men in 1920 net te laat was, was men in 1948 de eerste in Nederland. Over dat werk en het pionierswerk van Van Uxem en Goudzwaard schreef Marijke Borghgraef  in 2010 een uitstekende en lezenswaardige scriptie.

En de bond? De bond bleef bestaan! De BOLO ging over in de VOBO (Vereniging van Openbare Bibliotheken in Overijssel). De VOBO werd opgeheven in maart 1987en men besloot door te gaan als een informeel DOBO (Directie-overleg) Openbare Bibliotheken in Overijssel. Dit DOBO overlegt nog ongeveer elke maand, hebben een eigen programma voor vernieuwing van het bibliotheekwerk en werken nog steeds samen met de Vereniging van Openbare Bibliotheken (de voortzetting van de Centrale Vereniging). What's new?



P.M. Heringa
Een laatste woord is misschien nog op zijn plek voor P.M. Heringa, de directeur van de Bibliotheek in Enschede die vanaf de oprichting van in 1920 zeker tot begin jaren '40 veel werk heeft verzet als de vaste secretaris-penningmeester.Op de foto - die gemaakt is bij de opening van het Blijdesteinhuis in Enschede - is het man met het lichte jasje.

In Enschede opende onder zijn leiding in 1938 de muziekbibliotheek (volgens eigen opgave de derde in het land). Onbekende schenkers gaven fl. 10.000,- met als opmerking dat nooit naar ras of politieke overtuiging van de componist mocht worden gekeken. Een bijzonder statement in die tijd.

Heringa lijkt met zijn combinatie aan activiteiten  een beetje op zijn evenknie bij de Centrale Vereniging H.E. Greve die ongeveer over de hele zelfde periode actief is geweest. Verder is er ook  een P.M Heringa als bestuurslid betrokken bij de oprichting van de Almelose leeszaal in 1918. Maar ik vermoed echter dat hij dat niet zelf maar misschien wel zijn vader is zijn geweest.

Bijna een eeuw samenwerking
In den lande roemt men vaak de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken. Men bedoelt daarbij vooral de samenwerking van de afgelopen decennia en hoe men in gezamenlijk de vernieuwing van de bibliotheek vormgaf. Met succes. Wie echter verder terug kijkt ziet dat die samenwerking dus al bijna een eeuw oud en begon in oktober 1918 toen het Zwolse bibliotheekbestuur ander bibliotheken uitnodigde om maar eens te praten over samenwerking. Een samenwerking die tot op heden zijn vruchten afwerpt.

Dit artikel maakt onderdeel uit van een vijfdelige reeks over de geschiedenis van de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. 

De vijf delen zijn:
Deel 1: Hoe het begon in 1918
Deel 2: De rijkssubsidievoorwaarden 1921
Deel 3: Hoe de bond startte in 1920
Deel 4: De correspondentschappen 1920-1924
Deel 5: Verder zonder subsidie

donderdag 7 september 2017

Aan het werk! Correspondentschappen 1920-1924: De samenwerking van Overijsselse Bibliotheken 1918-1924, Deel 4

Zo, alle inleidende beschietingen hebben we nu wel achter de rug. In vorige artikelen legde ik uit hoe de Bond voor Openbare Leeszalen in Overijssel was opgericht en dat er eindelijk wat geld was geregeld. Men kon aan het werk!

De evaluatie uit 1924 laat zien dat er elk jaar drie nieuwe correspondentschappen werden geopend. Na drie jaar waren er begin 1924 dan ook negen extra plekken in de provincie met een 'mini-bibliotheek'. Elk van deze correspondentschappen werd ondersteund door één van de bestaande bibliotheken.


De subsidie liep officieel eind 1923 af. Men wilde graag extra subsidie maar deze zou niet komen zoals ik in het laatste artikel nog zal toelichten. Men geeft echter aan dat er nog wel wat reserves zijn van de reeds ontvangen subsidie en men had het voornemen om ook in 1924 nog drie nieuwe punten te openen waarmee het aantal op dertien zou uitkomen. 

De correspondentschappen kregen kleine collecties opgestuurd door de ondersteunende bibliotheek. Een correspondent moest een minimaal aantal leden zien te werven om het correspondentschap te kunnen starten en moest voor een uitleenplek zorgen. De correspondent kreeg hier een vergoeding voor. Vervolgens kon het uitlenen beginnen.

Zie hier bijvoorbeeld de uitleencijfers van het correspondentschap in Borne in 1923.


In totaal ging het in Borne om 660 uitleningen waarvan er 616 in de rubriek Nederlandse letterkunde (fictie) vielen. Een statenlid had bij de subidieverstrekking nog opgemerkt dat het niet alleen om 'lectuur' moest gaan. In de praktijk was het dus vooral fictie wat er uitgeleend werd. Dat was overigens wel streng geselecteerde literatuur dus geen 'cowboyverhalen' of 'dokterromannetjes'

De omvang van die 'uitleenposten' was beperkt. Het om enkele tientallen leden. Onderstaande scan komt van een handgeschreven document met cijfers over 1923.  


Zo'n 1% van de bevolking was lid van deze uitleenposten. Ook de krabbels aan de zijkant zijn leuk om te te zien. In totaal leenden de correspondentschappen 3.500 boeken uit. Dit was  zo'n 12 uitleningen per lid en de totale uitgaven waren fl. 2.900,-. Echt goedkoop was een uitlening daarmee niet.

Hoe kreeg je zo'n correspondentschap?


Bovenstaande brief van 4 mei 1924 van dierenarts Capelle in Oldenzaal geeft aan hoe zo'n correspondentschap gestart werd. Er was een 'leesgezelschap' in Oldenzaal en die zochten vervolgens iemand die wel zo'n 'mini-bibliotheek' wilde beheren. In dit geval wordt dit de heer Venderbosch. De heer Heeringa - de secretaris/penningmeester van de bond en directeur van de bibliotheek in Enschede - verzorgde vervolgens de opzet hiervan. 

De administratieve verantwoording
De bibliotheek declareerde vervolgens de kosten weer bij bond. In het archief zitten talloze handgeschreven en soms getypte briefjes met daarbij een overzicht van het bedrag dat men wilde hebben. Voor een bibliotheek was een correspondentschap best een aardige bijverdienste. 

Bijgaand bijvoorbeeld zo'n briefje van mejuffrouw Stoffel, directeur van de bibliotheek in Deventer aan de bond met zo'n afrekening. 


Dit briefje is van 1925. De provincie subsidieerde toen al niet meer. In het begin was de vergoeding fl. 5,- per lid voor de desbetreffende bibliotheek. In 1925 is dat dan al gedaald naar fl. 2,50. Mejuffrouw Stoffel lag overigens met regelmaat overhoop met de heer Heringa. Het beeld dat je krijgt is dat mejuffrouw Stoffel een 'zuinige' directeur was die soms vond dat de bond teveel kosten maakte. Maar ondertussen declareerde men natuurlijk wel gewoon de bedragen die ervoor stonden. 

In 1924 dus dertien correspondentschappen en zeven openbare bibliotheken. Daarmee stond er dus al een netwerk van 20 bibliotheekpunten. En daarmee stond het fundament van het Overijsselse netwerk. 

De subsidie liep af in 1924 en daarmee moest de bond zich gaan herbezinnen. Hoe verder? Daarover de volgende keer meer en dat zal dan ook het laatste artikel zijn in deze reeks.

Dit artikel maakt onderdeel uit van een vijfdelige reeks over de geschiedenis van de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. 

De vijf delen zijn:
Deel 1: Hoe het begon in 1918
Deel 2: De rijkssubsidievoorwaarden 1921
Deel 3: Hoe de bond startte in 1920
Deel 4: De correspondentschappen 1920-1924
Deel 5: Verder zonder subsidie

woensdag 6 september 2017

Komt er niet teveel ontspanningslectuur? : De samenwerking van Overijsselse Bibliotheken 1918-1924, Deel 3

Vandaag het derde deel over de geschiedenis van de Overijsselse samenwerking tussen 1918 en 1924. In het vorige artikel ging ik in op de Rijkssubsidievoorwaarden van 1921 voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken. In die regeling was ook een speciale paragraaf opgenomen voor plattelands-lectuur-voorziening. Vandaag ga ik verder met de subsidie-aanvraag  van de Bond van Openbare Leeszalen in Overijssel. De Bond is opgericht op 16 april 1920. De eerste overleggen vonden plaats vanaf oktober 1918.

Dat men in april 1920 daadwerkelijk een bond oprichtte betekende dat men zicht had op provinciale subisdie. In 1919 werd op landelijk niveau al gewerkt aan de nieuwe verordening voor 1921 en bij menige provincie werd gesproken om daarop aan te haken. Rijkssubsidie als vliegwiel. In mei 1920 stuurt men onderstaande aanvraag in.



Het is het allereerste subsidieverzoek aan de Provincie Overijssel om subsidie voor bibliotheekwerk. Het origineel beslaat drie handgeschreven pagina's en men vraagt in totaal fl. 16.000,- aan de Provincie. Het argument dat gebruikt wordt is dat het Rijk en een aantal gemeenten al zijn overgegaan tot financiering van bibliotheken maar dat het platteland nog ernstig achterblijft.

Met het bedrag wil de Bond van Openbare Bibliotheken en Leeszalen in Overijssel (BOLO) filialen en correspondentschappen oprichten. Ook in andere delen van Nederland gebeurt dat op dat moment.

Komt er niet teveel ontspanningslectuur?
Dit briefje zal het niet het origineel zijn dat is ingestuurd -het archief is verre van volledig op dit punt - maar is wel het afschrift dat bewaard is gebleven. De provincie Overijssel antwoordt met een bondig 'nee'. De brief van die afwijzing heb ik niet kunnen achterhalen.  Maar bijgaande krantenartikel uit de Povinciaale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 14 juli 1920 gaat wel over de behandeling van deze aanvraag.




Er waren dus nog wel wat bezwaren te noemen: de gemeenten moesten het naar betalen en kwam er niet teveel  ontspanningslectuur? Bij grootst mogelijke meerderheid ging men mee in het voorstel van de staten om niet te financieren. Kortom, iedereen was tegen.

De bond laat het er echter niet bij zitten. In juli stuurt men een hernieuwde aanvraag naar de provincie Overijssel. Men gaat in dat stuk - wat nu weer een prachtig drukwerkje is - in de op de geuite bezwaren. Mijn inschatting is dat er ook vervolgens flink gelobbyd is bij de verschillende partijen.


In die hernieuwde aanvraag wordt een argument gebruikt waar de politiek vaak gevoeliger voor is dan voor het inhoudelijke argument. Dat argument is: bij de buren gebeurt het ook. Er zit dan ook een aardige bijlage bij met een overzicht van gemeenten die in 1919 provinciale subsidie ontvingen.


De lijst is niet volledig. In een geschreven toelichting worden nog vele andere plaatsen genoemd. Het was dus heel gewoon in die tijd dat er geld werd gegeven aan grotere bibliotheken die vervolgens kleinere bibliotheken moesten gaan opzetten. Dat geld ging overigens niet direct naar de grotere bibliotheken. Daar waren die provinciale bonden voor opgezet zoals ik eerder al eens scheef.

Er volgt een hernieuwde discussie in de staten van Overijssel waar opnieuw de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 20 november 1920 verslag van doet.




Uit het verslag van de krant blijkt dat de Overijsselse Bond de Centrale Vereniging had gevraagd om mee te ondersteunen bij de aanvraag. Daarbij heeft men de provincie verleid met het landelijk geld dat in de nieuwe Rijkssubsidieverordening van 1921 werd benoemd. Dat geld durfde men niet zomaar te laten lopen. Uiteindelijk wordt voorgesteld om om voor drie jaar een cent per inwoner beschikbaar te stellen. Dat kwam neer op fl. 2.500,- per jaar. In de eerste aanvraag had men nog om fl. 16.000,- per jaar gevraagd. Maar de staten gingen er vanuit dat het rijk nog 2 cent per inwoner zou bijleggen.

De provincie stuurt pas op 8 februari 1921 de definitieve beschikking.



Weg landelijke subsidie?
Men kreeg dus fl. 2.500,-  provinciale subsidie, 1 cent per inwoner. In de verwachting dat er 2 cent per inwoner van het rijk bij zou komen. In totaal zou men dan de beschikking hebben over fl. 7.500,-. Nog altijd flink minder dan de fl. 16.000,- die men origineel vroeg.

In het gedenkboek dat H.E. Greve in 1933 schreef ter ere van het 25-jarig bestaan van de Centrale Vereniging (de voorganger van de VOB), meldt hij dat de de nieuwe regeling een meer dan positief effect had op de verschillende provincies. Veel bonden hadden succes. Op pagina 248 staat dit staatje.


Vijf provincies waren eerder klaar dan Overijssel. De late beschikking door de provincie Overijssel treft de Overijsselse bibliotheken hard. Her rijksgeld komt namelijk niet.

In de evaluatie van 1924 wordt daarover het volgende geschreven:


Met andere woorden: Overijssel was nét te laat. Anderen hadden al aangevraagd en zaten al in de regeling en Overijssel viel buiten de boot.

Hoe ging het financieel?

Die evaluatie van 1924 staat ook een jaarbegroting. Die zie je hieronder.


Dat is overigens ook één van de weinige financiële overzichten die ik zag. Want eerlijk gezegd: in het archief ben ik geen enkel jaarverslag of begroting tegen gekomen. Ook verslagen van vergaderingen ontbreken of zijn nooit gemaakt.

De kosten bestonden dus vooral uit vergoedingen voor de correspondenten (fl. 50 of fl. 75,- per jaar), transportkosten (ja, ook toen waren de provinciale organisaties daar al goed in) en een vergoeding aan de bibliotheek per lid. De contributie van fl. 1,50 werd dus afgedragen aan de bond maar de lokale bibliotheken kregen een vergoeding per lid van fl. 5,-.

Voor nu een mooie geschiedenis over hoe het ook in 1920 al knap ingewikkeld was om een structurele subsidierelatie te starten. Volgende keer meer over de correspondentschappen zelf en welk circus er om heen zat - ook toen al - om alles te verwantwoorden

Dit artikel maakt onderdeel uit van een vijfdelige reeks over de geschiedenis van de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. 

De vijf delen zijn:
Deel 1: Hoe het begon in 1918
Deel 2: De rijkssubsidievoorwaarden 1921
Deel 3: Hoe de bond startte in 1920
Deel 4: De correspondentschappen 1920-1924
Deel 5: Verder zonder subsidie

dinsdag 5 september 2017

Rijkssubsidieverordeningen van 1921 : De samenwerking van Overijsselse Bibliotheken 1918-1924, Deel 2



In de vorige blog schreef ik over de eerste brief van 11 oktober 1918 over deze samenwerking. Het overleg dat hieruit voortvloeide resulteerde in een subsidie-aanvraag in 1920 waarna vanaf 1921 voor drie jaar door de provincie Overijssel subsidie werd verleend.

Die subsidie-aanvraag had alles te maken met het feit dat in 1921 de rijkssubsidieverordening voor openbare leeszalen en bibliotheken in ging. De openbare leeszalen profiteerden zelf nadrukkelijk van deze regeling en ook van tijdelijke regelingen die hiervoor al in werking waren getreden. De regeling voorzag in co-financienciering door het rijk als de gemeente ook voor een minimum meefinancierde. Verder kende de regeling van 1921 een speciale paragraaf voor "Plattelands-lektuur-voorziening".  Daarover verderop wat meer.

Voorwaarden voor openbare leeszalen en bibliotheken



Bibliotheekwerk aan het begin van de 20e eeuw was wel iets anders dan wat wij nu gewend zijn. Als er boeken moesten komen - waar in die tijd ook niet iedereen van overtuigd was - dan moesten het wel "goede" boeken zijn. Kijk maar eens naar de eerste artikelen uit de subsidieverordening.

Artikel 2 en 3 gaan er al gelijk op in dat er er geen moreel verwerpelijke boeken aanwezig mogen zijn. De Centrale Vereniging hield toezicht op die collecties en gaf correcties indien nodig.  In de jaren '30 leidde dit nog tot een vrij uitgebreid schandaal omdat men vond dat een 'De Tribune', het dagblad van de communistische partij een oneerbare spotprent plaatste. De discussie hierover laaide op en de Centrale Vereniging adviseerde om het dagblad niet meer aan te bieden. Men was bang de subsidie kwijt te raken als hier te veel discussie over zou zijn. Zo is ook lange tijd voorgeschreven geweest dat een een bibliotheek maar een beperkte hoeveelheid romans mocht hebben. Ik dacht dat dat 20% van de collectie was.  Pas ver na de tweede wereldoorlog veranderde dat.

In de eerste artikelen van deze 'bibliotheekwet'  zie je ook dat alleen een openbare of een katholieke leeszaal een aanvraag kon doen. Christelijke of protestante bibliotheken waren uitgesloten. De katholieken hadden hun lobby veel beter op orde en hadden met een traditie van vele parochiebibliotheken ook wel recht van spreken.

In artikel 5 werd geregeld dat iedereen lid moest zijn van de Centrale Vereniging, een rechtsvoorganger van de Vereniging van Openbare Bibliotheken. In de volgende wetsartikelen zullen we zien dat die Centrale Vereniging zich ook nog wel wat rechten toe-eigende.


In de artikelen 7 en 8 werd al geregeld dat toegang gratis moest zijn en dat voor lenen geld gevraagd mocht worden. In artikel 9 zie je nogmaals het paternalistische karakter van die tijd terug: alleen personen boven de 18 jaar kunnen gebruik maken van de bibliotheek. Men werd verondersteld een bepaalde mate van 'rijpheid' en 'onderscheid' te moeten hebben om met de weelde van zoveel boeken om te kunnen gaan. Realiseer je ook dat er geen open uitlening was en dat je je boeken aan een balie moest aanvragen. En dat boeken je op grond van 'gebrek aan rijpheid' ook geweigerd konden worden door de bibliothecaris.

Ook mocht de bibliotheek op zondagochtend niet open zijn. Ook hier zie je de lobby van de katholieken terug: de mensen moesten dan in de mis zitten. Voor het overige was openstelling op zondag geen enkel probleem.

In artikel 11 en 12 worden een aantal bevoegdheden van de Centrale Vereniging aangegeven. Zo moesten directeuren een directiecursus volgen bij de Koninklijke Bibliotheek en was een inspecteur aangesteld bij de Centrale Vereniging die de leeszalen en bibliotheken visiteerde en aanwijzingen gaf. Die inspecteur was overigens de directeur van de Koninklijke Bibliotheek, de heer Molhuysen. Grappig om te zien dat de KB in die beginjaren dus ook al betrokken was bij openbare bibliotheken en dat dit met de nieuwe bibliotheekwet van 2015 opnieuw een feit is geworden.

Over hoe je in 1921 dus een eerste bibliotheekwet invoerde.

Plattelands-lectuur-voorziening



Na een flink aantal artikelen over de bekostiging van lokale bibliotheken komen er aan het eind nog een paar opmerkingen over het platteland. Naast een subsidie voor de Centrale Vereniging voor Reizende Bibliotheken was er ook ruimte voor provinciale organisaties. Dat was dus ook de reden dat de Overijsselse bibliotheken zich verenigden in de Bond voor Openbare Leeszalen in Overijssel (BOLO). Als afzonderlijke bibliotheken kon men geen beroep doen op deze gelden.

Men kon subsidie aanvragen voor die gemeenten waar geen Openbare Leeszaal of Bibliotheek was en men richtte dan agentschappen in. Vaak betekende dat, dat er een correspondent werd aangesteld die een kleine wisselcollectie beheerde die door een 'echte' leeszaal beschikbaar werd gesteld. Deze subsidie bedroeg dan 1 cent per inwoner.  De provincie Overijssel legde vervolgens ook 1 cent per inwoner op tafel. Dat was overigens ook de landelijk voorgeschreven co-financiering in artikel 39. Ondanks alles bleek dat Overijsselse bibliotheken toch nog net achter het landelijke net visten. Maar daarover in een volgend blog meer.

Hoewel het woord 'lektuur'-voorziening doet vermoeden dat hier de kwaliteitsnormen wel wat minder stringent zouden zijn, is het tegendeel waar. In artikel 40 wordt er nog even fijntjes op gewezen dat ook de artikel 1-3, 5-10 van toepassing zijn op deze collecties.

Wie zelf de hele Rijkssubsidieverordening wil lezen, kan het hier vinden bij Delpher.

Nou een puike regeling zou je denken en incasseren die landelijke subsidie. Ja, dat dachten ze in Overijssel ook. Dat liep nog anders dan verwacht. Daarover in de volgende blog meer.

Dit artikel maakt onderdeel uit van een vijfdelige reeks over de geschiedenis van de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. 

De vijf delen zijn:
Deel 1: Hoe het begon in 1918
Deel 2: De rijkssubsidievoorwaarden 1921
Deel 3: Hoe de bond startte in 1920
Deel 4: De correspondentschappen 1920-1924
Deel 5: Verder zonder subsidie

maandag 4 september 2017

Hoe het startte op 10 oktober 1918 : De samenwerking van Overijsselse Bibliotheken 1918-1924, Deel 1


In de komende blogs ga ik in op de geschiedenis van de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. Een relatief onbekende en slecht gedocumenteerde tijd. Bibliotheken - openbare leeszalen geheten - waren vooral bezig zichzelf op te richten.  In Overijssel waren in 1921 zeven openbare leeszalen: Enschede, Hengelo, Almelo, Deventer Kampen, Steenwijk en in Zwolle zelfs twee. Daar waren zowel een katholieke als een algemene openbare leeszaal. Bijna allemaal hadden ze een voorganger: een fabrieksbibliotheek zoals in Hengelo of een volksbibliotheek zoals in
Enschede en Zwolle. Op andere plekken werd de leeszaal opgericht op initiatief van notabelen zoals in Almelo, Zwolle en Kampen.

De periode tussen 1890 en 1920 staat ook wel bekend als de Leeszaalbeweging. Op vele plaatsen in het land wordt een openbare leeszaal opgericht. Bijgaande "infographic" komt uit de herdenkingsbundel van 25 jaar Centrale Vereniging (de voorloper van de VOB) en laat zien hoe het aantal bibliotheken en uitleenpunten steeg.

Ik ga niet in op de geschiedenis van de afzonderlijke leeszalen maar de samenwerking die ze gelijk na hun eigen start ontplooiden om te komen tot een eerste aanzet van een provinciaal netwerk. In vijf artikelen zal ik daarop ingaan en een beeld geven van de start van de samenwerking die gestalte kreeg in de Bond van Openbare Leeszalen in Overijssel (BOLO) en die jaren later zou uitgroeien tot het netwerk van Overijsselse bibliotheken. Ik hergebruik daarbij delen van artikelen die ik al eerder publiceerde maar kan ze door nieuw archiefmateriaal  nu in een gezamenlijk perspectief te zetten.

De start: 11 oktober 1918



De bibliotheken namen 99 jaar geleden - in 1918 - de eerste stappen. Bovenstaande brief komt uit het archief van het Historisch Centrum Overijssel. En daarmee is het de eerste brief waarmee bibliotheken in Overijssel als netwerk van start gingen. Op 11 oktober 1918 stuurt de secretaris van de Bibliotheek Zwolle een brief aan de bibliotheken in Almelo en  Deventer. Beiden waren net geopend.

Het was de tijd net na de Eerste Wereldoorlog. De illusies over een betere wereld waren wel verdwenen. Dit was reden waarom de overheid na de Eerste Wereldoorlog extra investeerde in cultuur: om de moraal weer op te vijzelen.

Bijgaande stukje geschiedenis kwam ik op het spoor door het proefschrift van Marijke Borghgraef-Bakker uit 2010 'De plattelandsbibliotheek in Overijssel 1948-1988'. Daarin gaat ze ook kort in op de aanloop naar de ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog.

Zij schrijft hierover:
Door deze ontwikkelingen aangemoedigd, kwamen in de provincie Overijssel in december 1918 vertegenwoordigers van de Openbare Leeszalen van de steden Zwolle, Deventer en Almelo bij elkaar om te bezien of het wenselijk en mogelijk zou zijn in Overijssel een provinciale vereniging op te richten. Het overleg resulteerde in de oprichting van de Bond van Openbare Bibliotheken en Leeszalen in Overijssel (BOLO) op 16 april 1920. Het doel van de bond was de belangenbehartiging van de aangesloten openbare leeszalen en bibliotheken, en eveneens van de inwoners van de provincie Overijssel in die plaatsen waar nog geen openbare leeszalen of bibliotheken gevestigd waren. Een van de eerste activiteiten was het aanvragen van provinciale subsidie voor het opzetten van correspondentschappen voor de plattelandslectuurvoorziening in Overijssel. In december 1920 kende Provinciale Staten van Overijssel een subsidie toe voor een periode van drie jaar, ingaande 1921. Borghgraef, p. 25



We hebben alleen een paar dames en heeren nodig voor de statuten...
De brief die hierboven staat is ook wel een pareltje. De Bibliotheek Zwolle neemt het voortouw om te zorgen dat er een Provinciale Vereniging komt voor Overijsselse Bibliotheken. De secretaris uit Zwolle informeert of de secretaris uit Deventer ook in deze commissie wil zitten. Het geeft wel een mooi tijdsbeeld van die startende bibliotheken. Want het is helder dat de secretaris uit Deventer  waarschijnlijk vragen heeft gesteld over de aanstelling van personeel en of er richtlijnen, handboeken of instructies waren voor al dat nieuwe werk. Het ministerie - die in die tijd subsidie gaf voor bibliotheken - eiste dat op belangrijke posities opgeleide bibliotheekmensen zaten. De Centrale Vereniging voorzag in deze cursussen. Het besmuikte 'nee, wij hebben geen bibliothecaris maar een directrice' zal toch menigeen doen grijnzen. Maar het past goed in het tijdsbeeld. Daarna komt de secretaris uit  Zwolle toch ter zake.

Dan volgen de prachtige zinnen:
Het spreekt vanzelf dat deze comm.(issie) slechts een geheel voorloopig is. Wij hebben nu alleen een paar dames en heeren nodig,om hun namen in de Statuten te vermelden...
Dat u het maar even weet.  Men had toen niet kunnen bevroeden dat de samenwerking na bijna een eeuw dus nog steeds actueel zou zijn.



16 april 1920: oprichting van de BOLO
Op 16 april 1920 vindt dan de definitieve oprichting plaats van de Bond van Openbare Bibliotheken en Leeszalen in Overijssel. Daar is toch nog wat tijd over heen gegaan.  Op 16 april 1920 had men zicht dat men ook daadwerkelijk een subsidieaanvraag kon indienen bij zowel rijk als de provincie. De noodzaak om een juridische entiteit te krijgen werd dus urgent.

De bond kende statuten en een reglement.

Het doel en middelen van de bond werden als volgt omschreven:


Hoewel deze tekst niet helemaal scherp is, kun je eruit halen dat men zich wilde inzetten voor zowel onderlinge samenwerking als voor het opzetten van bibliotheken. Dit kon zijn door echt een bibliotheek te openen of door correspondentschappen te starten. Bij laatste moet men denken aan  een soort reizende collectie en bestelmogelijkheid. Een allereerste vorm van interbibliothecair leenverkeer met wisselcollecties. Maar doel was vooral nog: het uitbreiden van de voorzieningen op het platteland.

Voordat ik inga op die echte start, zal ik in het volgende artikel stil staan bij de Rijkssubsidievoorwaarden van 1921 en het belang van deze voorwaarden voor de 'plattelands-lektuur-voorziening'. Dit artikel maakt onderdeel uit van een vijfdelige reeks over de geschiedenis van de samenwerking tussen de Overijsselse bibliotheken tussen 1918 en 1924. 

De vijf delen zijn:
Deel 1: Hoe het begon in 1918
Deel 2: De rijkssubsidievoorwaarden 1921
Deel 3: Hoe de bond startte in 1920
Deel 4: De correspondentschappen 1920-1924
Deel 5: Verder zonder subsidie

vrijdag 1 september 2017

Bibliotheek op School anno 1916 en 'Bind uw kind aan huis!'


Moeten kinderen - en vooral jongens - nu vooral gaan buiten spelen of is dat allemaal onzin? Worden jongens slimmer van fikkie stoken? In mijn laatste blog voor mijn vakantie had ik het daarover.  Jongens presteren minder in het onderwijs en volgens de SIRE-spot komt dat door gebrek aan kampvuurtjes.  Hoezeer ik ook vind dat je in bomen moet klimmen en fikkie moet stoken: ik geloofde er niets van! Volgens mij ligt het aan iets heel anders. Met wat statistieken liet ik zien dat meisjes meer lezen dan jongens.  Daar zit het verschil! Meisjes zijn gewoon betere lezers! Jongens lezen gewoon minder. En wie minder leest, is minder vaardig in taal. Wie minder vaardig is in taal, is slechter op school.

Niks naar buiten dus met die jongens. Naar binnen! En op een op een stoel een boek lezen. Dat had even goed de strekking van het SIRE-spotje kunnen zijn.

Bovenstaande prent Openbare Bibliotheek in Den Haag van begin jaren '20 van de vorige eeuw zijn had daarbij wel behulpzaam kunnen zijn. Toch zullen veel bibliothecarissen de wenkbrauwen nog wel even fronsen: 'is dit de manier om kinderen aan het lezen te krijgen?'

De verderfelijke straat

Toch is er wel wat meer over te zeggen. In de jaren '20 van de vorige eeuw wilden ouders vooral 'NIET' dat hun kinderen zomaar buiten gingen spelen. 'Buiten' was waar je opgroeide voor galg en rad en waar je in aanraking kwam met het verkeerde.

Lianne Verstrate die promotie-onderzoek deed naar het ontwikkelingsproces van speelruimte in de
Nederlandse stad vertelt hierover:
'Het ‘kwetsbare kind’ vormde voor burgers en elite tussen 1900 en 1920 en later voor ouders, scholen, buurtverenigingen en arbeidersbeweging om speeltuinen op te richten. Het kind moest beschermd worden tegen de verderfelijke invloed van de straat en de kans hebben zich gezond in de buitenlucht te ontwikkelen tot goede burger. Dit kon het beste gebeuren in een omheinde omgeving met toezicht: de speeltuinverenigingen boden die ruimte.'
De leerplicht werd ingevoerd en was juist steeds meer oog voor het feit dat je kinderen opleiding moest bieden om ze tot goede en stabiele volwassenen op te laten groeien. En de leeszalen? Die waren er vooral voor volwassen....

Jeugdleeszalen in de kinderschoenen
Bovenstaande plaatje komt uit het boek 'Geschiedenis der leeszaalbeweging in Nederland' van H.E. Greve. Het werd in 1933 uitgegeven ter ere van het 25-jarig bestaan van de Centrale Vereniging (zeg maar de voorloper van de VOB). 

Ik citeer een paar paragrafen van Greve (p. 251-255):
'Hoewel dit instituut (de jeugdleeszaal MD) in ons land eerst omstreeks 1913-1914 aandacht begint te trekken - en b.v. Mej. A.C. Gebhard daarvan in haar op 2 mei 194 n de jaarvergadering der CV gehouden voordracht nog spreeks als van het "het nieuwtje waarop we zoo trotsch zijn", - deed dit jonge instituut toch reeds eenige jaren eerder zijn intrede in Nederland en wel te Amsterdam jaren vóór er een Amsterdamsche leeszaal bestond. Op 25 januari 1912 opende n.l. het Amsterdamsche Nutsdepartement in het oude Nutsgebouw het bekoorlijke zaaltje voor kinderen, die er jaren achtereen een schat van goede lektuur (vakboeken incluis) vonden. Er werden ook groote en kleine boekententoonstellingen gehouden, bibliotheekvoordrachten en boekbesprekingen: kortom het was een compleet groote-menschen-bedrijf in het klein en aanpassend aan de speciale behoeften en verlangens van kinderen.'

De eerste foto is van genoemde jeugdbibliotheek vermoed ik. De tweede van een Parbibliotheek in het Vondelpark dat ook door het Nut werd onderhouden (met dank aan Libririana)

Het bestuur van de Centrale Vereniging had nog wel bedenkingen in deze jaren.
'Aanvankelijk stond het CVbestuur tegenover deze jonge uitbotting der Leeszaal eenigszins afwijzend....Naast bedenkingen van financieelen aard bestonden er ook principieele. Men dient deze te bezien in verband met den, nog nauwelijks beëindigden, strijd tegen een oppositie, welke hare wapenen tegen de Leeszaal voor een deel leende uit den Schoolstrijd. Van leeszaalzijde had men gepareerd met de verwijzing naar het doel der Leeszaal: voor "volwassenen" lektuur te bieden. Het ministerieel voorschrift eperkte den werkkring tot personen boven 18 jaren en stelde de Leeszalen slechts voor jeugdige lezers tusschen het 15e en 18e jaren open op uitdrukkelijk verzoek van ouders of voogden.'
De rijkssubsidieregeling liet niet toe de je een jeugdbibliotheek begon. Wie wat wilde organiseren moest dus op zoek naar alternatieve middelen zoals de inzet van het Nut. Ook was er dus nog een principiële strijd over of er überhaupt wel een leeszaal moest zijn, laat staan een speciale voor de jeugd.

Bibliotheek op school in 1916 in Sneek

Interessant is om even verderop in het boek al te zien hoe de samenwerking met het basisonderwijs werd gezocht en gevonden. Inclusief een bijzondere financiering!
'In overeenstemming met dit standpunt (het ging erover dat je bestaande subsidie niet moest aanwenden voor de jeugd, MD) is de in 1916 door de Leeszaal te Sneek in het leven geroepen "Centrale Jeugdbibliotheek". Deze ging uit van het beginsel dat de Leeszaal zich bij de jeugdlektuurvoorziening in haar taak had te beperken tot de keue der boeken en tot het meer tenchnische gedeelte der uitleening. De eigenlijke uitleening gebeurde bij deze organisatie in de scholen, door tusschenkomst van den klasseonderwijzer, die de boeken uit de "Centrale Jeugdbibliotheek" betrok. De kosten werden aldus gedragen door de gemeentelijke subsidies voor schoolbibliotheken ingevolge de Lageronderwijswet.'
In Sneek werd de bibliotheek op school dus gewoon gefinancierd uit de onderwijsbegroting. Iets waar naar mijn mening nog steeds voor te pleiten is.

Jeugdbibliotheekwerk krijgt in het boek in 1933 vier pagina's van de 374 pagina's die het boek telt. Greve eindigt deze pagina's dan ook met:
'Wij zien dus allerlei werk in wording, dat een eigen Leeszaal-politiek ten opzichte van de kinder- en jeugdlektuur voorbereidt. Nog ontbreekt den Leeszalen de kracht om het kinderlektuurvraagstuk uit eigen gezichtspunt op te lossen. Maar de krachten zijn aanwezig.'  
Anno 2017
En hoe is dat honderd jaar later? De schoolvakanties zitter er overal weer op in Nederland. Honderden leesconsulenten zijn of gaan weer aan de slag. Ook dit schooljaar zullen er weer een flink aantal Bibliotheken op school worden geopend en vormt de jeugd de belangrijkste doelgroep voor de bibliotheek. Sla de monitor over 2016 - honderd jaar na Sneek - er nog maar eens op na.  Die Greve had het wel goed gezien: 'maar de krachten zijn aanwezig'.

Ik wens heel veel kinderen - en zeker ook de jongens - heel veel leeskilometers in dit schooljaar. Ontdek de verhalen die bij je passen, vind de boeken die bij jou horen. Die leeskilometers komen dan vanzelf.

En om te eindigen met de Haagse leespromotie van honderd jaar geleden:  Bind uw kind niet aan huis, bind het boek aan uw kind!

vrijdag 4 augustus 2017

Hoe de 'man' verdween uit de bibliotheek en laten we jongens nog wel jongens zijn?



Er was de afgelopen week nog al wat te doen over de 'mannenwereld'. Jongens zouden niet meer genoeg jongens kunnen zijn volgens het Sire-spotje. En daardoor kunnen ze zich minder concentreren en zouden ze slechter leren. De NS kondigde aan genderneutale omroepberichten te gaan gebruiken en tientallen gemeenten bleken volgens onderzoek van de NOS sekseneutrale wc's en andere maatregelen te overwegen.

Het trok allemaal wat aan mij voorbij. Ik zelf zat namelijk in een archief. Met oude stukken en zo. Ik stuitte daar onder ander op het jaarverslag 1923 van de Bibliotheek Hengelo. Puike uitleencijfers en ook mooie bezoekersaantallen. Zelfs uitgesplitst naar mannen en vrouwen.

87% van de bibliotheekbezoekers was een man
Maar kijk nog eens beter.... Mannelijke bezoekers: 10.409. Vrouwelijke bezoekers 1.500. U ziet het goed 87% van alle bezoekers was een man! Overigens moest je in die tijd ook nog 18 jaar zijn om lid te kunnen worden.

Onderstaande plaatje is van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in Dordrecht uit 1910. En zo zal het er in Hengelo ook wel ongeveer uit hebben gezien.


Zie ze eens zitten. Stoer achter een kloek boek! Gelukkig en tevreden. Een boek lezen was toen nog 'zien en gezien worden'. "Zie mij eens even goed bezig zijn met mijn persoonlijke ontwikkeling!" "Ik zit niet de achter de jenever in de kroeg maar met een dikke pil in de bieb!"

Waar ging het mis, vroeg ik me af? Waar zijn die mannen gebleven?

Bezoekers: Tien vrouwen tegen vier mannen!
Want laten we wel wezen: er komen tegenwoordig veel meer vrouwen dan mannen naar de bibliotheek. Het SCP-rapport 'De bibliotheek tien jaar na nu' liet dat al zien met het volgende staatje.


Het rapport merkt op:
"Lidmaatschap en gebruik van de bibliotheek zijn in alle meetjaren ...hoger onder vrouwen dan onder mannen. Bij mannen loopt het lidmaatschap sinds 1995 harder terug dan bij vrouwen, en ook het percentage mannelijke bezoekers loopt harder terug .... In 2005 ... waren voor elke tien vrouwen nog maar ruim zes mannen lid van de bibliotheek, terwijl dat in 1995 negen mannen op tien vrouwen waren, en in 1980 acht mannen op de tien vrouwen. Voor elke tien vrouwen die in de onderzoeksweek ... in 2005 de bibliotheek bezochten, gingen er nog geen vier mannen. In 1995 gingen er op tien vrouwen nog vijf mannen naar de bibliotheek, en in 1980 was de verhouding nog tien tegen zeven. Het is een verschil dat al op prille leeftijd ontstaat: (thuiswonende) meisjes zijn in alle onderzoeksjaren vaker lid van de bibliotheek dan jongens en zij gaan ook vaker naar de bibliotheek."
Personeel: Acht vrouwen tegen twee mannen

Niet de alleen de bezoekers zijn vooral vrouw, ook het personeel in bibliotheek. Bovenstaande staatje komt uit het in 2014 verschenen rapport van Busy Business /Vereniging van Openbare Bibliotheken naar de trends in de bibliotheekarbeid. 80% van alle medewerkers is vrouw. In hogere salarisschalen is de verhouding iets beter maar absoluut niet evenredig verdeeld.

Overigens: niks mis met zoveel dames in de branche. Allemaal prima vakcollega's. Maar wie 'openbaar' is moet diversiteit uitstralen om juist naar alle groepen als 'openbaar' ervaren te worden. Aan de dames ligt het niet. Er ontbreken gewoon mannen!

Laat jongens, jongens zijn. Stuur ze naar de bibliotheek!
Maar terug naar de SIRE-spotjes. De spotjes koppelen die aan de leerprestaties. En meisjes doen het tegenwoordig beter op school dan jongens. SIRE zegt dat dit ligt aan het feit dat jongens te weinig jongen kunnen zijn. Ze zouden te weinig fikkie stoken en in bomen klimmen. Hoezeer ik ook vind dat je in bomen moet klimmen en fikkie moet stoken: ik geloof er niets van!

Volgens mij ligt het aan iets heel anders. Kijk maar eens naar onderstaande staatje uit het onderzoek 'Van woordjes naar wereldliteratuur' dat Frank Huysmans schreef in 2013 voor de stichting Lezen.


Meisjes zijn gewoon betere lezers! Daar zit het verschil! Jongens lezen gewoon minder. En wie minder leest, is minder vaardig in taal. Wie minder vaardig is in taal, is slechter op school.

Gelukkig is daar ook steeds meer aandacht voor. Programma's als 'Scoor een boek', waar wordt samengewerkt met voetballers uit de eredivisie,  of Vaders voor Lezen  geven mannelijke rolmodellen de ruimte. Jongens aan het lezen krijgen is een uitdaging. Elke leesconsulent (ja weinig mannen inderdaad) kan het beamen.

Echte jongens gaan naar de bibliotheek...
Kortom: wie zijn jongen echt jongen wil laten zijn, stuurt hem morgen naar de bibliotheek!

Zo, dat is ook maar weer gezegd! En dan begint nu mijn vakantie. Er ligt een flinke stapel boeken te wachten. Want u begrijpt: ik vind dat ik mij als mannelijk rolmodel moet opstellen en dat is natuurlijk het beste excuus om ordinair en egoïstisch boek na boek te gaan lezen.....

N.b.: Mocht u het niet hebben gemerkt: er zit enige humor in het artikel en is overdrijving een stijlfiguur. De feiten kloppen echter allemaal en het genderprobleem in lezen is werkelijk  een aandachtspunt. Voor wie twijfelt, raad ik het rapport 'Leesverschillen tussen jongens en meisjes' van Stichting Lezen aan. 

maandag 31 juli 2017

Bibliotheek Zutphen: stil prevelt men hier de gebeden voor persoonlijke ontwikkeling


De afgelopen week ben ik op een vrij middagje eens langs de bibliotheek Zutphen gegaan. Ik had al veel foto's gezien van de recente verbouwing en wilde het zelf nu ook wel eens zien. Voor wie Zutphen niet kent: Zutphen is bijzonder fraai middeleeuws stadje van zo'n 35.000 inwoners in een gemeente die in totaal 49.000 inwoners kent. Zutphen is een stad van schoonheid en zachtheid. Waar Deventer landelijk beroemd is door zijn historische binnenstad moet ik eigenlijk zeggen dat Zutphen daar niet voor onder doet. Het kenmerkt de bescheidenheid van deze stad.



De bibliotheek is gehuisvest in de Broederenkerk. Al sinds 1983 overigens. De Broederenkerk  is een 14e-eeuwse kloosterkerk die tot de orde der dominicanen behoorde. Een kerk hergebruiken is niet altijd even eenvoudig maar boekhandels als Waanders in Zwolle en Dominicanen in Maastricht tonen aan dat boeken en kerken elkaar goed verdragen. En de bibliotheek Zutphen kun je rustig aan dat rijtje toevoegen.

De ankerkruisen die overal als houten versiering worden gebruikt zijn volgen mij een verwijzing naar het wapen van Zutphen maar kan ook een verwijzing naar het wapen van de dominicanen zijn. Een mooie knipoog naar het verleden. Bezoekers die als moderne fluisterende monniken hun weg vinden en met boeken, kranten en PC's. Het zijn de stille gebeden voor persoonlijke ontwikkeling.


Hoewel de kerk immens groot is, is het vloeroppervlak beperkt. De bibliotheek beslaat de begane grond en een ring rond het kerkgedeelte. Het meest opvallende is de box-in-a-box die midden in de kerk staat. Deze box is een ruimte me veel glaswerk die geopend en gesloten kan worden. De ruimte kan gebruikt worden als open studieruimte maar kan ook gesloten worden en opgedeeld in één of twee cursuslokalen. Dat is echt een briljante vondst want deze box is hiermee driedubbel inzetbaar en blijft goed in het zicht van alle bibliotheekactiviteiten. Hier gaan ze in Zutphen veel plezier aan beleven.

De bovenkant van deze box is via een grote trap ook weer te gebruiken als werkplek en biedt een schitterend uitzicht over de bibliotheek.


Deze grote trap, u ziet hem hierboven, is ook weer te gebruiken als tribune en als ruimte waar grotere groepen kunnen worden ontvangen. Dat is de vierde functie van die box-in-a-box.


Op de plek van het voormalige altaar is thans het leescafé te vinden. Een mooie lichte plek met een hele prettige atmosfeer. Let ook op de beplanting het leescafé wat afschermt.

Wie goed kijkt in de bibliotheek ziet dat het schip van de kerk nauwelijks gevuld wordt met boeken en media. Deze zijn bijna allemaal naar de zijkanten van de kerk gegaan. Het middengedeelte wordt gevormd cursusruimte, een ruimte voor groepen, het leescafé en een plein met computers. Het toont mooi de veranderende bibliotheek aan. Collecties zijn nog steeds belangrijk en vormen nog steeds de context van ons werk. Maar wat wij met die informatie doen en hoe we er mee omgaan vormt meer en meer de kern. Dat is letterlijk fysiek zichtbaar in dit gebouw.


Na een ronde door de bibliotheek dacht ik even: 'Is dit het nou?'  Blijkbaar had ik nog meer verwacht. Maar toen ik begon af te strepen of alles wel in dit gebouw zat wat er in hoorde te zitten, moest ik constateren dat alles er wel in zat. Er is gewoon ontzettend slim met de ruimte omgegaan.

Valt er dan niks meer te wensen? Ja, als ik directeur van deze bibliotheek was, had ik nog wel twee of drie dingen die ik in de komende jaren zeker zou (kunnen) realiseren. De eerste is het ontbreken van echte horeca. Nu is het vinden van een goede partner hiervoor geen makkelijk opgave maar je zou ook kunnen nadenken of je je bibliotheekbalie ook niet gelijk een echt koffiepunt kan zijn. En vul op die manier het 'gastheerschap' letterlijk in door ook als bibliotheekbarista aan de slag te gaan.

Verder zag ik niet direct andere partners in de kerk en dat ik gun ik zo'n type bibliotheek wel. Maar ik kan wat gemist hebben. En uiteraard geldt ook daar dat je de mazzel moet hebben dat zo'n samenwerking zich voordoet. Huiswerkbegeleiding zou bijvoorbeeld denk ik een hele logische zijn.


Wie de kubieke meters telt, vindt dit een enorm gebouw. Wie de vierkante meters telt, denkt: nou dat is nog een uitdaging. De bibliotheek Zutphen is erin geslaagd om in een modulaire opbouw: cursusruimte, mini-theater, leeszaal, werkplekken en collectie vernuftige oplossingen te kiezen. Die oplossingen gaan zich de komende jaren uitbetalen in de cijfers van de verblijfsfunctie. Zutphen kan door die modulaire opzet zichzelf bijna een 'bibliotheekconcept' gaan noemen.

Ik noemde de stad Zutphen in het begin een stad van schoonheid en zachtheid. Die kenmerken zien we volop terug in de nieuwe bibliotheek. Deze bibliotheek - onderdeel van de Graafschapbibliotheken kwam ook terug in veel van mijn top-10's over het bibliotheekwerk. Niet alleen qua interieur is bibliotheek bij maar ook inhoudelijk scoort zij prima. Laat de bescheidenheid dus maar varen: hier staat een bijzonder knap staaltje bibliotheekwerk!

Bibliotheek Zutphen: hier prevelt men stil de gebeden voor persoonlijke ontwikkeling. U moet dan ook niet gek staan te kijken dat hier een wonder gebeurt.